Amsterdam-Spinozawandeling ‘Evolutie van de geest’

BLAZOEN AMSTERDAMSE REDERIJKERSKAMER
d’EGELANTIER ‘IN LIEFDE BLOEYENDE’
Op Spinoza's zegel (zie rechts) staat een egelantier: de naam van de roos, links in het blazoen van Rederijkerskamer d'Egelantier. De bloemen van de egelantier worden door insecten bestoven. De vruchten (rozebottels) worden door allerlei dieren gegeten. In een bosschage met egelantier nestelen vele vogels. De egelantier symboliseert in de literatuur vanouds zowel de hemelse als de aardse liefde.
LINKS VOORAL AMSTERDAM in de 16e en 17e eeuw belangrijkste Amsterdamse locaties groen!
Algemene kaart met genummerde locaties Korte lijst locaties en onderwerpen Uitgebreide lijst met toelichting
| NUMMERS | LOCATIES AMSTERDAM | ONDERWERPEN |
| 1 | Nes 45, Brakke Grond | Inleiding |
| 2 | Beurspoortje/Rokin | Beurs, boekwinkels |
| 3 *∆ |
Dam | Politieke toneel, Nieuwe Kerk, * ∆ Stadhuis |
| 1 *g |
Nes 45, Brakke Grond |
Rederijkerij/toneel op straat/Vondel |
| 1 *g | Oude Zijds Voorburgwal 282-296/Nes 45 |
Determinisme/~ g Descartes |
| 9 *ÏÏ |
Oude Zijds Voorburgwal 231 | Behoefte aan wetenschap |
| 10 *g |
Oude Zijds Voorburgwal 300 | Gevelstenen/(geld)moraal |
| 6 *∆TT |
Begijnhof | Positie niet Calvinisten: Katholieken |
| 7 | Spui/Singel 452 (tLam) en Singel 118 (de Zon) | Positie niet-Calvinisten: Lutheranen, doopsgezinden |
| 11 | Waterlooplein | Positie niet-Calvinisten: sefardische Joden |
| 5 | Kalverstraat (nabij Begijnhof), Westermarkt 6 | Ondergedoken geleerden |
1a. INLEIDING BIJ WANDELINGEN AMSTERDAM SPINOZA (Bij Brakke Grond, Nes 45)

De wandeling 'Amsterdam Spinoza' voert door het omcirkelde gebied op de KAART UIT 1649 (links) ten zuiden van de Dam langs de 'geestelijke' beeldenstorm, die in de 16e en 17e eeuw in Amsterdam plaatsvond. Verder langs het Singel aan de westzijde van Amsterdam. Oude ideeën waren niet meer vanzelfsprekend, zoals over het bestaan van een hiernamaals waarin je gestraft kon worden, of dat de mens door de zondeval van nature slecht zou zijn. Spinoza (1632-1677) zal tussen zijn 17e en 30e jaar, dus grofweg de periode 1649-1661, vaak hier in de Nes en omgeving zijn geweest, eerst als handelaar en later moet hij hier ergens hebben gewoond. Verder woonde hij aan het Singel en kwam in de Dirk van Hasseltsteeg bij zijn uitgever Rieuwertsz. Beïnvloed door wat hij zag en meemaakte in Amsterdam en vanuit zijn gesprekken met geestverwanten en vrienden, die hij hier ontmoette, ontwikkelde hij zijn theorie.
Op de wandeling is aandacht voor de actualiteit van toen en de 'verbeeldingen' ervan in de kunst en architectuur uit die tijd en de periode vóór Spinoza, de relatieve vrijheid in Amsterdam voor mensen die elders werden vervolgd, de plaats van verschillende kerken vooral waar het relevant is voor inzicht in Spinoza's werk (zie ook de rechterpagina; dit biedt aanknopingspunten op de route 'Singel 452 naar het station' om plaatsen te bezoeken, waar Spinoza of zijn vrienden geweest zijn). Wie waren de 'mensen van de Rede', waarover hij in zijn Ethica schrijft? Amsterdam maakt in de periode na de opkomst van de handel, de beeldenstorm, de 80-jarige oorlog vanaf 1650 tot 1672 de omslag mee van bloei op het hoogtepunt naar de invasie van de Fransen in de Nederlanden in het Rampjaar 1672. Een oorlog die tot 1677 duurde en na afloop waarvan de bloeiperiode in de Nederlanden ten einde was.
Op basis van deze webpagina kunnen verschillende wandelingen (ook digitaal) worden gevolgd. In de pagina-indeling is de aanvankelijke locatievolgorde bij een eerste wandeling losgelaten. Op verschilldende punten wordt een bepaald onderwerp uit zijn leven of de Amsterdamse achtergrond belicht. Het linkerdeel van deze webpagina schetst vooral de Amsterdamse achtergrond; het rechterdeel de plekken waar Spinoza en zijn geestverwanten veel kwamen en waarover zij spraken. In de pagina-indeling is de locatievolgorde losgelaten.
Men kan dus een eigen locatievolgorde kiezen, afhankelijk van tijd en belangstelling. Bovenaan staat (samen met een vervolg op de rechterpagina bovenaan) een wandeling die binnen het bestek van 2 uur kan worden gedaan, waarbij zijn geboorteplek en toelichting op zijn Joodse achtergrond niet in de route zijn opgenomen. Als men vooraf deze pagina (deels) heeft gelezen kan er uiteraard meer gewandeld worden omdat er minder uitleg onderweg nodig is.
De culturele ontwikkeling in de stad kan worden afgelezen aan ornamenten aan woningen en architectuur. Hierbij zijn devolgende verwijzingen gebruikt:
* ÏÏ vroeg Hollands Renaissance Hans Vredeman de Vries (1527-1606)
* g gevelsteen/afbeelding
* gb gevelsteen/afbeelding (bijbels)
* natuurornament; Hollands renaissance; Hendrik de Keyzer (1565-1621)
* ∆ Hollands classicisme; Jacob van Campen (1596-1657)
* ∆ TT Hollands classicisme; Philip Vingboons (1607-1678)
Uit de architectonische ontwerpen spreekt een streven naar harmonie. De niet lang hiervoor in Italië ontdekte gulden snede werd toegepast. De ontdekking dat mathematische verhoudingen vaak in de hele natuur terug te vinden waren en door mensen als harmonieus worden ervaren. Het Hollands classicisme is ook goed af te lezen aan het Voorburgse 'Hofwijck', wat Constantijn Huygens samen met Jacob van Campen ontwierp onder invloed van Vitruvius (zie onder Da Vinci's 'Vitruvian man'). De tuin vormt een belangrijk onderdeel van het ontwerp. Ook het huidige Bijbels Museum (Herengracht 364-370) uit 1662 van Vingboons heeft een bezienswaardige tuin; binnen is een geurenkabinet.
De titel 'Evolutie van de geest' verwijst naar Jonathan Israel's boek 'Revolution of mind; Radical enlightenment and the intellectual origins of modern democracy'. In tegenstelling tot Israel, die vooral de periode lang na Spinoza beschrijft, gaat deze web-pagina over de evolutie die zich vóór en met Spinoza in de Nederlanden ontwikkelde. Het werk van Spinoza vormt hierin een filosofisch-wetenschappelijk hoogtepunt. In Spinoza's eigen termen: het Amsterdam en de Republiek van na de Opstand als werkoorzaken van Spinoza's werk. Verschillende wetenschappers publiceerden vrij snel na Spinoza's overlijden werk in diens lijn, zoals de empiristische Verlichtingsfilosoof John Locke, die ook in Amsterdam had gewoond en beïnvloed was door onder meer Hugo de Groot.
2. BEURS (Rokin/Beurspoortje bij Dam)
(Links) BEURS VAN HENDRIK DE KEIJZER UIT 1611; AANZICHT ZUIDZIJDE;
GELEGEN AAN ZUIDZIJDE VAN DE DAM (ROKIN)
In de 16e eeuw had de Amsterdamse handel zich in aanzienlijke mate ontwikkeld. Vanaf 1611 stond op deze plek al een grote Beurs, gebouwd door Hendrick de Keyser. Het plaatje toont hoe levendig het toen was rond de Beurs. Verder is te zien is dat de Amstel hier dan nog onder de Beurs doorstroomt.
Het water, de handel, de Beurs, het zijn belangrijke schakels in de geestelijke veranderingen die plaatsvonden. Nieuwe ideeën ontstonden ook in andere handelssteden met ligging aan het water zoals Antwerpen, Brugge, Gent, de Hanzesteden, Venetië.
De uitbreiding van de overzeese handel, de techniek die daarvoor nodig was, de mogelijkheden om geld te investeren en te vermeerderen, dit alles bracht immense veranderingen met zich mee, waarbij nieuwe denkbeelden hoorden. Bij voorbeeld moesten er 'omgangs'regels komen voor ontmoetingen op zee met schepen van andere landen.
De rechtsgeleerde HUGO DE GROOT (1583-1645) (rechts, in boekenkist) vond dat ieder schip recht op doorgang zou moeten hebben, zodat voor niemand de handel werd belemmerd. Hij ontwikkelt een natuurfilosofie, waarin mensen en volken van wat voor religie of nationaliteit dan ook afspraken zouden moeten maken over gelijke rechten.
Aan de zuidkant van de Beurs zitten boekwinkeltjes. Boeken waren een belangrijk handelsproduct voor Amsterdam. Spinoza’s uitgever was Jan Rieuwertsz (1617-1687), die ook de Nederlandse vertaling van Descartes uitgaf. Klik hier voor de exacte locaties van Beurs en Dam omstreeks 1630.
In Amsterdam is het belangrijkste deel van de handel in de eerste hleft van de 17e eeuw gericht op de landen aan de Baltische Zee, de Noodse handel. Het heeft een belangrijke positie in de handel omdat de handelaren een naam van betrouwbaarheid hebben (informatie in het huis van de graankeurmeesters in de N.Z. Kolk). De Witsenfamilie, die later veel burgemeesters zal leveren, zaten in de graanhandel. Wapenhandelaar Louis De Geer (1587-1652) verbindt zich in hoge mate met de strijd om de Hervormde zaak, onder andere in de 30-jarige oorlog, heeft uitstekende contacten met Zweden en is sterk internationaal-georiënteerd. In 1602 wordt de VOC opgericht.
1b. REDERIJKERIJ (Nes 45)

NES VLEESHALLEN ANATOMIE
REDERIJKERSKAMERS d'EGLANTIER ‘IN LIEFDE BLOEIENDE’ EN WIT LAVENDEL
In de Nes boven de vleeshallen in het vroegere Margarethaklooster (rechts) kwamen Rederijkers bijeen. De Eglantier bestond al vanaf 1518. Rederijkerskamers waren oorspronkelijk religieuze broederschappen die kerkelijke feestdagen opluisterden met mysterie-spelen, processies en tableau-vivants.
Ze hebben onder meer door hun openbaar straattheater een breed bereik. De Rederijkerskamers in de Nederlanden wisselen onderling uit. Het ging er vaak vrolijk aan toe, zoals te zien is (rechts) op zwierige schilderijen van FRANS HALS (1587-1666) uit Haarlem, waar de Rederijkerskamer 'Trou moet blyken' actief was. De Eglantier kende prominente leden met dichters als Spiegel (1549-1612), Roemer Visser (1547-1620), Bredero (1585-1618) en Hooft (1581-1647), die vaak ook politieke invloed hadden. In hun gedichten en theaterstukken ontwikkelt zich een nieuwe eigen ethiek los van een verwijzing naar een bepaalde God. Ze gebruiken vaak symbolen uit de natuur.
![]()
COORNHERT
Wat omstreeks 1600 ten tonele wordt gevoerd is vaak ‘Zedekunst’ en gaat over de vraag ‘Hoe moet ik leven in deze veranderende tijd?’. Dirck Volkertsz Coornhert (1522-1590), lid van d’Eglantier, schreef lang vóór Spinoza in 1585 de eerste Nederlandse Ethica ‘Zedekunst dat is Wel-levenskonste’. Op advies van zijn vriend Spiegel verwijst hij hierin niet naar God, hoewel in Coornhert's eigen leven de beleving van het goddelijke een belangrijke rol speelde. Een andere belangrijke bijdrage van Coornhert was de vertaling in het Nederlands van Latijnse werken als van Seneca (-4-65) en Cicero (-106- -43). Naast deze werken over ethiek uit de romeinse tijd vertaalde hij Boëtthius 'Vertroosting van de philosophie'. BOËTTHIUS (480-525) schreef dit boek over de troost van het denken vanuit de gevangenis (rechts). Coornhert-zèlf noemt het denken het 'vonxcen van het goddelijk licht'. Dergelijke goedgekozen boek-vertalingen, die door de boekdrukkunst onder velen verspreid konden worden, droegen bij aan het zelfstandig denken in de eigen taal. Coornhert schreef verder in de vorm van gesprekken met vrienden zoals Spiegel over 'het hoogste goed', over wat het belangrijkste in het leven is. Meer over Coornhert op www.gouwestad.nl/index.php/week-36-05-9-2011 en de overeenkomsten tussen Coornhert's werk en dat van Spinoza.

EGELANTIER
Het blazoen van de EGLANTIER (rechts), een roos, wordt door de graficus Coornhert geplaatst in zijn omgeving. De roos wordt bezocht door een bijtje, dat de honing (liefde) verspreidt en wordt belaagd door de sluipspin (gevaar!); de roos heeft doornen ontwikkeld. Spinoza’s zegel lijkt opvallend sterk op het blazoen van d’Eglantier. Espinoza betekent ‘doorn’. Spinoza gebruikt in zijn zegel dezelfde roos in combinatie met dit 'verdedigings-wapen’: een doorn en zijn zinspreuk ’CAUTE’, ‘PAS OP’. Verder lijkt de vormgeving van de egelantier op het zegel op de gekruisigde op het blazoen (zie bovenaan). Naast elkaar vormen het blazoen en de zegel zo een (misschien toevallige) illustratie van de overgang van religieus denken naar natuurfilosofie en van Spinoza's gelijkstelling van God met de Natuur. Deze twee denkwijzen bleven in de zeventiende eeuw naast elkaar bestaan.
De natuurkundig ingenieur Simon Stevin (1548-1620) stelt in zijn boek 'Het burgerlick leven' (1590) dat mannen van de wetenschap misschien niet meer in God geloven, maar zij dienen zich uiterlijk te gedragen alsòf en vrouwen en kinderen dienen te worden aangemoedigd in geloof.
In het begin van de 17e eeuw zat naast d'Egelantier ook de Rederijkerskamer 'Wit Lavendel' in de Nes/Brakke Grond (gebouwd in 1654). Van deze kamer was Vondel lid. Bredero (lid van d'Eglantier) is op deze plek geboren (zie bord aan de muur) en groeide hier op. Vondel is vlakbij in de Warmoesstraat opgegroeid. Op latere leeftijd kreeg hij een baantje in de buurt bij de Bank van Lening (Nes 57).
10. GEVELSTENEN/(GELD)MORAAL (Oude Zijds Voorburgwal 300)
GEVELSTEEN BOVEN INGANG STADSBANK VAN LENING
HOOFDSOM MET RENTE TERUG
Opeens raakten mensen in financiële welstand. Hoe daar mee om te gaan? Nieuwe ideeën werden niet alleen via de kerken en toneelspel verspreid. Op verschillende plekken in de stad getuigen de rijmpjes aan de muren van een nieuwe moraal. Op de gevelsteen boven de ingang van de Bank van Lening staat dat men zaken van waarde kan belenen maar wel met RENTE (links) moet terug betalen. De protestantse ethiek stond winstmaken toe in tegenstelling tot de katholieke moraal. Er is nog wèl een zij-ingang waar de ‘nooddruftige’ zijn spullen voor een klein bedrag kon verpanden.
Coornhert had zijn ideeën over rijkdom verwerkt in de ‘Comedie van de Rijckman’. De teneur in zijn financiële ethiek: rijkdom-zèlf is niet verkeerd, maar wel een verkeerd gebruik ervan. Coornhert’s ethiek is die van ‘het genoeg’. Tegenover de levenswandel van een personage ‘Veel Behoeven’ stelt hij een ‘natuurlijk genoeg’. Deze manier van tegen geld aankijken, wordt vrij gebruikelijk in die tijd. Wat aan geld over is na het ‘genoeg’, gaat naar goede doelen, bij voorbeeld naar een 'hofje voor ouderen'. Of het wordt besteed aan opdrachten aan schilders. Bekend is dat De Geer beschermheer werd van de Tsjechische pedagoog Comenius (1592-1670).
Een ander bekend toneelstuk (1617) met 'geld'moraal is 'Warenar' van P.C. Hooft en S. Coster. Warenar is in feite geen vrek, maar een tragikomische figuur, die door een onverwachte vondst volkomen de kluts kwijt raakt, en geheel gebiologeerd is door deze schat. Maar aan het einde kan hij zijn schat loslaten en wegschenken: het was geen gierigheid maar obsessie die hem gebonden hield..
GEVELSTEEN BOVEN DE ZIJINGANG VAN DE BANK VAN LENING/ DE ‘NOODDRUFTIGE’ KAN HIER AANKLOPPEN VOOR ‘EEN CLEYN GELT’
9. BEHOEFTE AAN WETENSCHAP (Atheneum illustre; Oude Zijds voorburgwal 231)
EEN OLIFANT OP DE DAM (REMBRANDT 1638)
In Amsterdam bloeiden de wetenschappen ten gevolge van de handel. Er werden kaarten gemaakt; scheeps-apparatuur werd ontwikkeld. Mensen namen van alles mee uit verre streken. Aan de Kloveniersburgwal 87-89 toont Blauw-Jan zijn verzameling. Hansken is een op Ceylon geboren olifant die in 1633 met een schip van de Verenigde Oostindische Compagnie naar Amsterdam wordt gebracht, en op de Dam wordt getoond.
Er ontstaat behoefte aan een Amsterdamse universiteit. Door de bestaande universiteiten wordt Amsterdam echter niet een volledige universiteit toegestaan. In 1632 wordt wel een universiteit op beperkte schaal ingericht, het Atheneum Illustre. Een vooropleiding voor een studie in Leiden. Daar werden de examens werden afgenomen. Hiermee blijft de wetenschappelijke controle bij Leidse professoren als Gomarus (1563-1641). En Revius (1586-1658), één van de felste pleitbezorgers van kettervervolging. Hij had hierin een voorganger gehad in Lipsius (1547-1606): 'De mens moet zijn lot accepteren'. Het doden van ketters was in zijn ogen onvermijdelijk. 'Brandt het kwaad weg om het geheel te houden'. Gomarus was de tegenstander van Arminius (1560-1609).
Arminius was aanvankelijk nogal streng in de leer. Toen hij probeerde de standpunten van de vrijzinnige Coornhert te weerleggen en zich verdiepte in diens ideeën, werd hij gegrepen door diens tolerantie-ideaal. Hij werd een van de meest tolerante religieuze leiders van ons land en had met name onder intellectulen veel aanhang. Hoewel de bevolking grotendeels op de hand wad van Gomarus, waren de meeste intellectuelen Arminiaan. Constantijn Huygens (1596-1687) had een hoge positie aan het Hof van Frederik Hendrik. Daardoor kon hij een groot stempel drukken op diens kunstcollectie en kon hij ook Barleus en Vossius financieren. Bij de opening spraken Barleus (1584-1648) (hij sprak over matiging van het verlangen naar geld), de arminiaan Vossius (1577-1649) (in zijn lezing dat wijsbegeertde de oorzaak geeft van alles) en was Hugo de Groot (Grotius) aanwezig. Ook sprak Hortensius (1605-1639), die contact had met de Bredaase Beeckmans (1588-1637), de wiskundige die Descartes beïnvloed heeft.
Het was tenminste iets, maar mensen als Bredero, Coster en Hooft hadden liever een universiteit gehad met Nederlands als voertaal. Later zal Franciscus van de Enden een Latijnse school stichten, waaraan Latijnse les wordt gegeven.
(rechts) VERZAMELING BLAUW-JAN (KLOVENIERSBURGWAL)
1. DETERMINISME/DESCARTES (Oude Zijds Voorburgwal 282-296/ Nes 45. Brakke Grond)

ANATOMISCHE LES VAN NICOLAAS TULP
REMBRANDT (1632)
Destijds opereerden er in de panden aan de Nes wel eens Vlaamse artsen zoals Nicolaas Tulp. Rembrandt’s schilderij ‘de Anatomische les van Nicolaas Tulp’ is hier geschilderd, op de bovenverdieping. Het schilderij laat zien dat er in die tijd een toegenomen belangstelling was voor het lichaam.
Op de begane grond waren hier vleeshallen. Van de aanwezigheid van het Gilde der vleeskeurders ('Die Vinderskamer', rechts) getuigt een gevelsteen op het Nespleintje. Bekend is dat DESCARTES (1590-1650) graag bij slagerijen rondneusde. Daarbij ontdekte hij dat het hart niet een mystiek orgaan is, maar een soort pomp die werkt volgens logische wetten van oorzaak en gevolg. De werking van het hart is een bekend voorbeeld in de uitleg van zijn wetenschappelijke methode (in ‘Discours de la methode’ uit 1637), die erop is gericht de wetten van oorzaak en gevolg bloot te leggen. Zijn methode legde de grondslag voor de hedendaagse wetenschapsbeoefening. Descartes was destijds aanvankelijk zeer omstreden aan de universiteiten. Het cartesianisme was de grondslag voor 'mechanisering' van het wereldbeeld en gaat uit van de grondgedachte dat alle menselijke kennis één systematisch, hiërarchisch geordend, bouwwerk vormt.
3. POLITIEKE MACHT IN AMSTERDAM (Dam)

De Dam vormde door de jaren heen een belangrijk podium voor reële politieke macht en machtstrijd.
OPSTAND WEDERDOPERS OP DE DAM 1535
Al in 1535 was de Dam podium geweest voor een opstand van de ‘WEDERDOPERS’ (gravure van Claes Jansz Visser, links). Deze hielden een demonstratie door naakt te gaan lopen. Hiermee gaven ze uiting aan hun ideaal van gelijkheid van alle mensen. Deze vreedzame demonstratie werd hard onderdrukt door de politie. Executies volgden. 
De doopsgezinde ANNEKEN HENDRIKS (rechts) werd in 1571 geëxecuteerd op de Dam. Zij werd met buskruit in de mond in het vuur gegooid. In de manier van straffen wilde het gezag het publiek duidelijk maken, wat niet mocht en hoe het af kon lopen als verboden werden overtreden.
In 1535 woonde Coornhert om de hoek in de Warmoesstraat 111. Hij was toen 13 jaar. Mogelijk legden dergelijke taferelen een basis voor zijn latere strijd tegen het doden van ketters. En voor zijn ideeën over hervorming van het strafrecht en de strafpraktijk, ook voor andere wetsovertreders dan gewetensbezwaarden en politieke gevangenen.
Vanuit het Stadhuis werd rechtgesproken. Naar de publieke ophanging op de Dam kwamen veel mensen kijken. Rembrandt maakte in 1664 een tekening van Elsje Christiaans.
ELSJE CHRISTIAANS (links).
Zij was na de terechtstelling te zien op het Galgenveld in Noord, samen met de oorzaak van haar terechtstelling: de bijl waarmee ze iemand had gedood.
ALTERATIE
Hoewel er vrijheid van godsdienst bestond in de Republiek, was de gereformeerde calvinistische kerk sinds de ALTERATIE (onder) in 1578 de officiële kerk in Amsterdam. De verdiensten van de Calvinisten in de opstand en oorlog tegen de Spanjaarden hadden hen die speciale positie bezorgd. De officiële kerk had onder meer tot taak zorg te dragen voor diensten voor iedereen, zoals bij een huwelijk en begrafenissen. In Amsterdam was er een opstand aan voorafgegaan, die zich afspeelde op de Dam. Sindsdien werden hier op de Dam in de van oorsprong Katholieke Nieuwe Kerk gereformeerde diensten gehouden.

BEELDENSTORM
Na de beeldenstorm van 1566 zijn de kerkinterieurs geleidelijk aan versoberd. Constantijn Huygens (1596-1687) lichtte dit als volgt toe: 'Onze godsdienst is zo eenvoudig als ze van onze wijze meester is ingesteld. Zonder de minste bijvoegingen van pracht en zwier.
Zulks prijs ik ten hoogste. Wat anderen ook mogen zeggen ten voordele van de gevoeglijkheid van zekere pracht en praal en luister, die, mijns oordeels, bekwamer werktuigen zijn van aftrekking als van opwekking eener Godsvrucht die in geest en waarheid moet bestaan'.
De lichtinval wordt belangrijk; zoals te zien op de schilderijen (links) van kerken van Pieter SAENREDAM (1597-1665). Diensten worden gehouden in het Nederlands.
Ook de synagoge van de Portugese Joden, die in 1667 wordt gebouwd, neemt deze stijl over. Het interieur van de synagoge lijkt op de sobere protestantse kerken met een hoofdrol voor de lichtinval.
Buiten de kerk om kon de calvinistische kerk morele ideeën via gevelstenen verspreiden. Een voorbeeld is de steen met een ‘vermaan’rijmpje over het wisselend lot.

VERMAANRIJMPJE OVER HET WISSELEND LOT (Pentagon bij Antoniebreestraat 142)
BENYT NIEMANS PROFFYT
LÁÁT ELLECK OP HOOPEN BOUWE
WANT OF GY HET SCHOON BENYT
HET FERTUYN SAL SYN LOOP HOUWE
6. POSITIE VAN NIET_CALVINISTEN: KATHOLIEKEN (Begijnhof; R.K. Kapel, ∆TT)
Voor niet-gereformeerde gelovigen was het zaak zich aan te passen aan de regel: ‘Er is vrijheid van godsdienst, maar je moet er niet mee te koop lopen’. In ieder geval geen klokgelui. Alleen calvinistisch klokgebeier was toegestaan. Op het Begijnhof is te zien dat huizen die er van buiten uit zien als woonhuizen, van binnen zijn ingericht als kerkruimten. De katholieke Philip Vingboons ontwierp dit in 1671.

(links) BUITENZIJDE R.K. KAPEL BEGIJNHOF
(rechts) INTERIEUR R.K. SCHUILKAPEL BEGIJNHOF
In 1579 is veel Katholiek bezit overgegaan naar de gereformeerden. De in beslag genomen kerken werden geleidelijkaan afgestaan aan verschillende kerkelijke groeperingen, die in Amsterdam verbleven. De vroegere Katholiek kerk, schuin tegenover de Katholieke schuilkapel, werd in 1607 de Engelse kerk. Er kwamen onder andere de Pelgrim Fathers naar toe. Een pijnlijke situatie voor de Katholieke gelovigen.
7. POSITIE VAN NIET_CALVINISTEN: DOOPSGEZINDEN; LUTHERANEN (Spui/Singel, hoogte UB)
De kerk speelde in deze tijd een belangrijke rol. Om verschillende redenen waren in Europa nieuwe kerkgenootschappen ontstaan, die zich niet meer thuis voelden in de Katholieke kerk. Luther had zich verzet tegen de aflatenhandel van de Katholieke kerk. Verder ontstond een proces van zich geleidelijk losmaken van dogmatische ideeën. Dit leidde tot een reeks nieuwe kerkgenootschappen zoals Doopsgezinden, Luthersen, Remonstranten.

7b. ZIJKANT LUTHERSE KERK SPUI
Aan Singel 411 staat de Lutherse kerk uit 1633. De kant aan de Spuizijde toont nog dat de diensten vóór 1633 in 7 samengetrokken woonhuizen plaatsvonden. De handel in hout met de Noordelijke landen was in deze periode nog erg belangrijk. Interventie van de voor deze Hanze-handel belangrijke Deense koning, heeft bewerkstelligd dat de Lutherse kerk deze officiëlere status in Amsterdam kreeg.
7c. DOOPSGEZINDE /MENNONITISCHE GEMEENTE,
SINGEL 452 VOORZIJDE
(links)
Even verderop ziet men aan de overkant de Doopsgezinde kerk 't Lam (op Singel 452). De voorkant ziet eruit als van een gewoon woonhuis. Op de gevel een ‘gewone’ verwijzing van een lammetje naar de destijds aangrenzende brouwerij en kroeg ‘t Lam'. De brouwerij was ook eigenaar van een katholieke schuilkerk aan de noordzijde van de doopsgezinde, waar nu een grote Katholieke kerk staat. Aan de ACHTERZIJDE (rechts) is de fraaiere, eigenlijke ingang van de doopsgezinde kerk. Binnen een sober interieur zonder beelden.
Doopsgezinde schuilkerken werden soms niet kerken maar 'Vermaningen' genoemd. Binnen de doopsgezinde, mennonitische gezinten zijn tal van stromingen te onderscheiden. Veel informatie hierover op http: //www.gameo.org/encyclopedia. In het algemeen stonden ze een apostolisch christendom voor: Christus als voorbeeld en inspirator voor een 'deugdzaam' leven. Van de lidmaten werd een actieve keuze voor het geloof gevraagd door pas op een volwassen leeftijd te dopen.
Murmellius (1480-1517) had 'Kinderpap' geschreven, waarin de nadruk bij het opvoeden op 'veel vermaningen' wordt gelegd en weinig op straffen. Het was op scholen gebruikelijk om slechte leerlingen flink te slaan en te vernederen. Volgens Murmellius was een andere lesmethode mogelijk: wie de motivatie van de leerling wist te bevorderen had wrede straf niet nodig. Murmellius had zelf in Deventer les gehad van Alexander Hegius (1433-1498), bij wie ook Erasmus lessen had gevolgd. Murmellius werd rector van de Latijnse school in Alkmaar, waar in die tijd Jan van Scorel (1495-1561) en Alardus van Amsterdam (1495-1544) lessen volgden.
7d. SOCIANISME
In principe was er vrijheid van godsdienst, hoewel niet alle godsdiensten publiek beleden mochten worden. Ook de vele immigranten konden hun godsdienst belijden. Op last van de Kerkeraad in 1648 en later de Staten was het socianisme verboden. Socinus (1535-1604) leerde dat alleen het Nieuwe Testament moest worden erkend als bron van verstandelijk te verklaren openbaring; dat er één God was, niet drie; dat er geen erfzonde bestond en geen predestinatie. Christus was niet door de kruisdood maar door zijn zedelijk voorbeeld tot verlosser geworden. In de doopsgezinde kerk 't Lam zijn dergelijke diensten toch wel eens gehouden, getuige de lastige deurknop, die bij de ingang naar de kerkruimte is aangebracht. Een voorganger met sociniaanse ideeën was Galenus Abrahamsz de Haan (1622-1706).
Een met het socianisme verwante stroming was dat van de sacrementariërs, die de reële aanwezigheid van Christus in het sacrament van het avondmaal afwezen. David Joris (1501-1556) had met deze stroming gesympathiseerd. Later zouden binnen de vrijzinnige kerkgeschiedenis van de 19e en 20e eeuw deze sacrementariërs worden gezien als exponenten van de redelijke, rekkelijke protestantse traditie die de Nederlandse volksaard zou weerspiegelen.
LASTIGE DEURKNOP
Bij een inval tijdens een (verboden) Sociniaanse dienst, zou de politie tijd verliezen door een ongebruikelijke deurknop (je moest naar boven in plaats van naar beneden drukken). De voorganger zou dan ondertussen snel op een Lutherse dienst kunnen over gaan.
7e. SYNAGOGE en school van TALMUD TORA ( Waterlooplein 133/156, 'De Herschepping' en naast Mozes en Aäronkerk, 205)

De sefardische Joden hadden tot 1639 een HUIS-SYNAGOGEN (links) en ook één ter hoogte van Waterlooplein 205.
In één van de belende huizen zou Spinoza zijn geboren (ook Zwanenburgwal 15 wordt als geboorteplek genoemd).
In 1639 kan aan de Houtgracht (nu Waterlooplein 133/156) de in classicistische stijl gebouwde synagoge van het genootschap TALMUD TORA (rechts) worden geopend. Zie ook het INTERIEUR (rechts). Aan de Houtgracht staat naast de synagoge de school waar Spinoza les kreeg en die hij tot zijn 15e jaar bezocht.
7f. WAALSE KERK (30. Walenpleintje 159; naast Oude Zijds Achterburgwal 155)
In 1578 kwam hier een Waalse kerk voor Hugenoten, Franse aanhangers van Calvijn. Na achtervolging in Frankrijk werden ze later beschermd door het Edict van Nantes. Lodewijk XIV hief dit Edict in 1685 op. Dit leidde tot een grote toeploop van Hugenoten in de Nederlanden waaronder Amsterdam. Er worden verschillende andere Waalse kerken in Amsterdam gebouwd. Oranje was vaak sterk verbonden met de Waalse kerk. Stadhouder Willem III is in een Waalse kerk gedoopt.
7g. De gevelsteen 'IN DE BOGAERT' (boven) van Singel 324 verwijst naar de remonstrantse dominee Johannes Wttenbogaert, de opvolger van Arminius.

Wttenbogaert werd gesteund door de familie Reaal. In de 30-er jaren krijgen de remonstranten een schuilkerk aan het Singel 108 (met een gevelsteen 'Rode hoed').
1.c. POLITIEK EN REDERIJKERIJ (Dam/ Brakke Grond, Nes 45)
Geleidelijkaan krijgen de Rederijkers-stukken een wereldlijker vorm en worden er dichtkunst en redekunst - de rhetorica - beoefend. Stukken van religieuze of moralistische inhoud worden nu afgewisseld met mythologische en helden-verhalen. Deze algemene trend is ook te zien bij de Egelantier en het Wit Lavendel.
Tekstschrijver en burgemeesterszoon P. C. Hooft had grote invloed op de nieuwe ontwikkeling in de toneelkunst, waarbinnen het klassieke drama een grote rol ging vervullen. Bij voorbeeld werd een stuk van Terentius (-195 tot- 159) bewerkt door Bredero (1585-1618) tot zijn 'Moortje' (1614). In dit renaissancistische blijspel, een komedie, volgde Bredero het klassieke stuk na, aangepast aan de omstandigheden die hij kende. Sommmigen, als Joost van den Vondel (1587-1679), wilden de klassieke tragedieschrijvers overtreffen of voorbijstreven. Voor Vondel betekende dat Bijbelse stof omwerken in de vorm van een klassieke tragedie.
Er was voldoende stof voor drama en tragedie in eigen land te vinden.
Veel strijd, oorlog en beeldenstorm hadden in de voorafgaande eeuwen plaatsgevonden. Velen met afwijkende meningen waren geëxecuteerd of verbannen. Veel bekende geleerden, schrijvers en staatslieden zijn gevangen gezet of gedood. Of hadden moeten onderduiken, of werden beschimpt, zoals op de spotprent 'd'Arminiaanse Dreckwagen'.
Bij voorbeeld prins Willem van Oranje (1533-1584), die in 1582 vogelvrij werd verklaard na de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring met het ‘PLAKKAAT VAN VERLATINGHE’ (rechts) in 1581 en in 1584 werd vermoord nadat een bedrag op zijn hoofd was gezet. Ook Coornhert (1522-1580) heeft in de gevangenis gezeten en dook onder bij collegianten. Velen, die vanwege hun opvattingen gedood zijn of gevangen gezet, zijn anoniem gebleven. Zoals de ‘Wederdopers’ bij hun opstand in 1535 in Amsterdam. De 'Opstand' tegen de Spanjaarden kostte velen het leven.
De staatsman Van Oldenbarnevelt (1547-1614) werd in 1618 op het Binnenhof onthoofd omdat hij de vrijheid van meningsuiting van de Arminianen wilde beschermen. Zijn medestander Hugo de Groot werd gevangen gezet in slot Loevestijn. Hierbij speelde een rol dat sommigen (Maurits) oorlog wilden blijven voeren en anderen, als van Oldenbarneveldt, voorstander waren van vrede. Dit laatste had geresulteerd in het 12-jarig bestand (1609-1621). Bij de controverse tussen Gomaristen ('kamp Calvinisten') en Arminianen ('kamp doopsgezinden van de Dreckwagen') speelde al de kwestie van vrije wil, zie ook DE VRIJE WIL IN DE 16 e en 17 e eeuw
VONDEL OVER VAN OLDENBARNEVELDT
De Rederijkers verwerkten deze politieke ervaringen in hun werk. Via de kunst kon kritiek worden geuit. Vondel schreef (lange tijd verboden) gedichten en toneelstukken hierover. Bekend is zijn 'Stokje van Van Oldenbarneveldt'. Hij kiest hierbij partij voor degenen die het opnamen voor de vrijheid van meningsuiting. Hoewel de zinspelingen op van Oldebarneveldt bedekt waren, werd het ontdekt en hadden de Staten Vondel willen veroordelen. Amsterdam verhinderde dit echter.
In andere gedichten laat hij het verdriet zien dat oorlog met zich meebrengt. De gedichten gaan over de moeders, die rouwden om hun zonen en echtgenoten.
In 1617 werd door Samuel Coster de Nederduytsche academie opgericht, een Rederijkerskamer met als blazoen een Bijenkorf onder een Egelantier, verder met het devies 'Ijver'. Deze legde zich vooral toe op het aanbieden van hoger onderwijs in de volkstaal. Standplaats was de latere schouwburg aan de Keizersgracht. De Calvinistische kerkeraad beviel de oprichting niet. Zij drong bij het Amsterdamse stadsbestuur, de vroedschap, aan op sluiting. Er bestond bezwaar tegen de twee mennonitische professoren, waaronder de wiskundige Sybrandt Hansz. Cardinael. Ook de inhoud van de theater-stukken beviel niet. De onderwijsinstelling werd in 1618 gesloten en de opvoering van stukken in 1622 gestaakt. Vondels 'Vraghe van d'Amsterdamsche Academi aan alle poëten en dichters' (1631) riep bij de Calvinisten heftige reacties op. Toch kon in 1634 het 'Atheneum Illustre' worden geopend.
2b TONEELOPVOERINGEN OP STRAAT (Rokin/Beurspoortje)
TABLEAU VIVANT BIJ HET BEZOEK VAN MARIA DE MEDICIS (1638)
Toneel op markten en pleinen voerden de Rederijkerskamers van oudsher op. Was het werk van Coornhert vooral gericht op het vinden van het hoogste geluk in zichzelf en op het doorgeven van ervaringen aan een volgende generatie, op milde wetgeving en omgangsvormen, gebaseerd op kennis (‘weet of rust’), op strafrechtvernieuwing en tegen het doden van mensen met afwijkende meningen zoals ketters, geleidelijkaan werden er in de 17e eeuw meer stukken opgevoerd, die een politieke informatiefunctie voor het volk hadden. Ook worden de voorstellingen steeds grootschaliger.
MARIA DE MEDICIS
OPGENOMEN IN EEN SCÈNE
In opdracht van de overheid voerde 'In liefde bloeyende' tijdens het 12-jarig bestand met Spanje van 1609-1621 toepasselijke verhalen uit de Romeinse geschiedenis op. In de tirannie van de laatste Romeinse koning Tarquinius de Hoogmoedige, de ontering van LUCRETIA (rechtsonder) en de verijdelde samenzwering van Brutus kon het publiek toespelingen herkennen op de eigen geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog. Dit soort festiviteiten moesten meestal in een razend tempo -zo'n tien dagen - voorbereid worden door de regisseur van het geheel Samuel Coster.
Absoluut hoogtepunt van dergelijke theater-feesten was het bezoek van Frankrijks koningin-moeder Maria de Medicis aan de Republiek in 1638. Informeel hield het een Franse erkenning van de Nederlandse Republiek in. Er werd flink uitgepakt. MARIA DE MEDICIS (rechtsboven), de andere gasten, de burgemeesters van de stad, ze dreven allen in hun barken op het water van het Rokin, waar Neptunus Maria tegemoet dobberde en de stedenmaagd met de handelsgod Mercurius haar begroetten. Dit soort theater is tot het eind van de jaren vijftig te zien. Daarna wordt dit in andere vorm voortgezet in theaterstukken die werden opgevoerd in de Schouwburg aan de Keizersgracht. http://www.digischool.nl/ckv2/burger/burger17de/toneel/toneel17de.htm
Op Keizersgracht 384, waar eerst de 'Eerst Nederduytsche Academie' gehuisvest was, komt in 1637 een nieuwe schouwburg van Van Campen. In 1665 wordt de barokke schouwburg vervangen door een nieuwe, die meer theaterstunts mogelijk maakt. Directeuren als Vondel worden opzij geschoven. In 1669 treedt een nieuw bestuur aan onder leiding van het gezelschap 'Niets is moeilijk voor hen die willen' (NIL). Deze lijkt sterk georiënteerd op de (taal)vernieuwende stromingen in Frankrijk, de Encyclopedisten. Het theaterwerk wordt vrolijker, meer blijspel, spektakel en techniek. Tussen 1672 en 1677 is de Schouwburg gesloten vanwege de oorlog met de Fransen. Waarschijnlijk vonden de calvinistische stadsbestuurders dit een goede zaak. Zij ergerden zich toch al aan de stukken.
5. IN AMSTERDAM ONDERGEDOKEN GELEERDEN (Descartes: Kalverstraat, met opschrift: Westermarkt 6; Locke, Damstraat/Oude Hooghstraat, Westermarkt)

Zoals het zaak was voor de niet-gereformeerde gelovigen zich aan te passen aan de regel: ‘Er is vrijheid van godsdienst, maar je moet er niet mee te koop lopen’, zo gold dat ook voor geleerden met ideeën, die te vooruitstrevende implicaties hadden. Een brede kring van mensen bood in het algemeen bescherming tegen daadwerkelijke vervolging. Bovendien had Amsterdam profijt van dergelijke vrije denkers. Als je je een beetje gedeisd hield, was het mogelijk om in Amsterdam bescherming te vinden.
Wáár precies in de Kalverstraat hij woonde is onbekend, waarschijnlijk in een oud klooster, maar (links) RENÉ DESCARTES (1596-1650) heeft hier in ieder geval een tijdje gewoond. Later woonde hij enkele jaren op de Westermarkt 6. Zijn ideeën waren zeer omstreden. Hij moest zich onopvallend gedragen, maar zei: ‘Die Hollanders zijn zo druk met geld verdienen, die letten niet op mij’. Wel heeft Descartes net als later Spinoza, uit voorzichtigheid, een deel van zijn werk pas na zijn dood laten uitgeven. Zijn uitgever was Elsevier; vertalingen in het Nederlands werden uitgegeven door Jan Riewertsz, ook de uitgever van Spinoza.
Ook andere geleerden hebben een tijdje in Amsterdam gewoond, onder andere (rechts) JOHN LOCKE (1632-1704) van 1683-1689 in de Damstraat. Hij schrijft dan aan twee verhandelingen over de staat (rechts). Omdat hij moest oppassen voor vervolgers uit Engeland nam hij uit voorzichtigheid een schuilnaam aan: 'Dokter van der Linde'. Het lijkt een eerbetoon te zijn aan Hugo de Groot (1583-1645), die dezelfde schuilnaam had gebruikt. Hugo de Groot-zèlf was in 1618 gelijktijdig met van Oldenbarneveldt veroordeeld maar niet zoals deze onthoofd, en liep na zijn ontsnapping uit de boekenkist openlijk in Amsterdam rond. Zo was hij bij voorbeeld aanwezig bij de opening van het Atheneum Illustre in 1632. Later is Hugo de Groot toch in Frankrijk gaan wonen.
Op deze manier werd in Amsterdam omgegaan met de situatie dat vrije denkers buiten Amsterdam gevaar liepen. Dit leidde er ook wel toe dat publiek-gemaakte ideeën werden aangepast aan het haalbare. Adriaan Koerbagh is een voorbeeld van een publieke veroordeling op grond van geschriften, die de vroedschap te vèr gingen.
De vrijheid werd niet alleen beperkt door de calvinistische kerkeraad, die de Amsterdamse vroedschap regelmatig onder druk zette. Deze laatste was er vooral op uit de rust in de stad te handhaven. Verder had de vroedschap zich ook enigszins te houden aan afspraken met de Staten van Holland. Voor John Locke zou de Engelse geheime politie de voornaamste bedreiging hebben gevormd.
Daarnaast speelde de Katholieke kerk een eigen rol. In 1600 was Giordano Bruno, filosoof, kosmoloog en vrijdenker, door de Inquisitie in Rome tot de brandstapel veroordeeld. Galileo Galilei, de beroemde natuurkundige en astronoom, is in 1633 veroordeeld tot huisarrest door de kerkeraad, de Inquisitie. Verder waren er wel eens vermoedens gerezen, dat de Katholieke kerk via vergiftiging zich van minder controversiële leden van haar kerk ontdeed. De de enige paus uit de Lage Landen, Adrianus IV (Adriaan Floriszoon Boeyens, 1459-1523), had net als Luther weinig op met de aflaten-handel (1517) in de katholieke kerk. Hij had zich in het Vaticaan omringd met enkele geestverwanten uit de lage Landen, waaronder Jan van Scorel (149-1562). Deze ging na diens dood onmiddelijk terug naar Utrecht, bevreesd omdat hij vermoedde dat de Paus was vergiftigd en ook voor zijn eigen leven vreesde. Descartes was het laatste jaar naar Zweden gevlucht, waar hij zich beschermd achtte door de progressieve Christina van Zweden. Dat de katholiek-gebleven Descartes de dood vond door vergiftiging via een hostie door een priester is nog onlangs geopperd door Theodor Ebert.
3. STADHUIS OP DE DAM NA 1650

(links) DAM MET STADHUIS (NU PALEIS) VAN J. VAN CAMPEN EN NIEUWE KERK (Berckheyde, 1673)
In 1650 (de oorlog tegen de Spanjaarden eindigde in 1648) bereikte de rijkdom in Amsterdam een hoogtepunt. Er wordt daarna in snel tempo veel gebouwd en van hoge kwaliteit. Veel staat er nu nog. Was tevoren het stadhuis klein in vergelijking tot de kerk, het nieuwe stadhuis dat toen werd gebouwd, was groot en hoog. Let op: groter en hoger dan de kerk! Er werd voor gewaakt dat de kerktoren niet uitstak boven het stadhuis. Tegen de door Van Campen geplande hoge toren voor de kerk ontstond weerstand en de toren kwam er niet. Dit drukte ideeën uit over de verhouding kerk en staat, die ook te vinden zijn in. P. de la Court's 'Interest van Holland' (1662). Ook Spinoza vindt: de kerk moet zich in laatste instantie voegen naar de staat.
Er heerste een uitbundige sfeer Amsterdam. Het Stadhuis zou het achtste wereldwonder worden.

Binnen konden de Hollandse meester-schilders als de Vlaamse Jacob JORDAENS (1593-1678) (rechts) aan de slag. Het opgegeven thema was: de 'OPSTAND TEGEN DE SPANJAARDEN', wat werd verbeeld middels de Bataven die onder CLAUDIUS CIVILIS in opstand waren gekomen tegen de Romeinse bezetter. Frankrijk had Amsterdam gesteund, leek het. Een Franse barokke zwierige stijl, die mede door Vlaamse schilders als Rubens, was geïmporteerd, om de heldhaftige opstandelingen te eren, stond de vroedschap wel aan.

Ook REMBRANDT (links) kreeg een opdracht hiervoor. Alleen… hij schilderde Claudius als niet als strijdlustige held maar als oude man. In een enscenering, die doet denken aan het laatste avondmaal. Hij toont zijn kracht in de gesmede eenheid en door te dreigen met het zwaard, maar niet door vechtlust. Het beviel de opdrachtgevers niet en zijn werk verdween naar de kelders. De andere schilders hadden wèl de heroiek van de ‘Opstand’ benadrukt.
Wat hier precies speelde, is onbekend. De figuren lijken te verwijzen naar reële personen van de verschillende provinciën. Claudius lijkt sterk op Coornhert, die wat aan zijn linkeroog had. Coornhert was als adviseur van Willem van Oranje nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de Opstand (binnenkort in onderzoek).
Vaderlandse deugden, die van Bataafse oorsprong heetten te zijn, waren in de geest van Erasmus, Coornhert en Hugo de Groot, vrijheidszin, vrijmoedigheid, eenvoud, soberheid, moed, schranderheid, vredelievendheid en oprechte vroomheid. De Bataven waren een volk geweest dat niet alleen naar vrijheid streefde maar ook de gelijkheid cultiveerde. Een volk dat niet het gezag (verticaal) centraal stelde maar het gezin (horizontaal) als de grondslag van de samenleving koesterde (Frijhoff, Spies, 1650). Misschien wilde Rembrandt de geest van deze personen in zijn schilderij eren.

Tijdens zijn huwelijk met Saskia van Uylenburg heeft Rembrandt veel opdrachtgevers uit remonstrantse hoek, mede via Saskia's oom. Zo schilderde hij JOHANNES UYTENBOGAERT (rechts), een neef van Johannes Wttenbogaert (1557-1644), die als menner een plaatsje had op de 'ARMINIAANSE DRECKWAGEN' en als de opvolger van Arminius wordt beschouwd. Rembrandt zelf hoort niet tot één kerkgenootschap, hangt een 'liefdes'geloof aan als een 'Chrétien sans église'.
POLITIEKE ONTWIKKELINGEN TOT 1650
Amsterdam bestaat natuurlijk niet afgezonderd van de Republiek en de internationale politiek en cultuur (zie links Leonardo DA VINCI, 1452-1591, 'Vitruviusman' uit 1590, wiskundige exactheid in de kunst, 'de gulden snede'). Enkele ontwikkelingen in het denken over God, de natuur en de wetenschap op internationaal niveau van vóór 1648 uitgedrukt in gedichten en gravures staan hier. In 1648 kwam door de vrede van Münster een einde aan de 80-jarige oorlog met Spanje en aan de 30-jarige oorlog (1618-1648). Aanleiding voor de 30-jarige oorlog was een opstand in Bohemen (Tsjechië). Zweden en Frankrijk waren tegenstanders van de Keizer van het Heilige Roomse Rijk Ferdinand II. De Republiek met stadhouder Frederik Hendrik steunde de Palts (hoofdstad Heidelberg), Bohemen en de in 1608 opgerichte Protestantse Unie van Protestantse vorsten en rijkssteden. In Amsterdam is de kanonnenproducent Louis de Geer nauw verbonden met deze protestantse beweging. De vroege dood van Willem II bracht de staatsgezinde partij aan de macht met Johan de Witt als raadspensionaris. Na 1650 volgen een aantal gebeurtenissen snel achter elkaar op.
POLITIEKE ONTWIKKELINGEN VANAF 1650
Nu er vanaf 1648 vrede was met de Spanjaarden na de succesvolle Opstand, dienden zich nieuwe vijanden aan: eerst de Engelsen. De drie Engelse oorlogen (1652-1654), (1665-1667) en (1672-1674) waren vooral gericht op zee en op suprematie in de koloniën. De oorlogen hebben invloed op de welstand in de Republiek. Bij voorbeeld Spinoza en Rembrandt kampen in 1656 met financiële moeilijkheden. In 1663-1664 werd Amsterdam getroffen door een pestepidemie. Voor Amsterdam en de Republiek is de noordelijke handel de belangrijkste. De oorlog tussen Zweden en Denemarken dreigt gevolgen te hebben voor de Hollandse belangen van redelijke tolheffing. Johan de Witt voert in principe een diplomatieke strijd gebaseerd op defensieve allianties, een politiek in de lijn van Hugo de Groot gebaseerd op niet aanvallen tenzij het land zèlf wordt aangevallen. De ascetische Amsterdammer Coenraad van Beuningen (1622-1693), die zich aangetrokken voelt tot Spinoza en de Rijnsburgse collegianten, is de Witt's ambassadeur in Zweden. Hij was voorheen secretaris van Hugo de Groot. Deze krijgt steeds meer moeite met het offensieve optreden van Zweden waarvoor hij de Witt waarschuwt. Vanaf 1668 beginnen de Fransen, de vroegere bondgenoten tegen de Spanjaarden, naar het Noorden op te trekken. Ook in Frankrijk wordt Van Beuningen ambassadeur. Johan de Witt wil via diplomatieke afspraken een verbond sluiten met Lodewijk XIV waarbij de Zuidelijke Nederlanden onder gemeenschappelijk beheer komen. Hij gaat ervan uit dat de Engelsen en de Fransen gescheiden zullen blijven, maar deze vormen een verbond. Van Beuningen waarschuwt de Witt voor de expansiedrang van Lodewijk XIV.
In 1667 is Hobbes' LEVIATHAN (links), the matter, forme and power of a common wealth ecclestiall and civil' (1651) in het Nederlands beschikbaar, uitgegeven bij Elzevir; in 1668 in het Latijn. Hoewel het werk over de verhouding van kerk, staat en macht in veel opzichten op Spinoza's TPT lijkt, is Hobbes' conclusie anders: volgens hem is voor een staat met interne vrede en een goede verdediging tegen externe vijanden één centrale monarch nodig, wiens authoriteit absoluut is. Een godsdienstige 'locus of power' naast de wereldlijke macht vindt hij onwenselijk. De Nederlandse vertaler Abraham Van Berckel is in de lijn van Hobbes een fervent monarchist en prinsgezind.
In een theocratie gaan staats- en theologische macht samen op. Maar ook wanneer de scheiding tussen kerkelijke en wereldlijke macht groter is, zoekt de heerser ondersteuning in een goddelijke instemming met zijn heerschappij. Ook Lodewijk XIV creëert een goddelijk image om zijn macht te ondersteunen. Hij sluit hierbij niet meer aan bij een Christelijke ondersteuning, maar laat zich vergelijken met een held uit de klassieke oudheid, ALEXANDER DE GROTE (rechts) en met een naturalistisch centrum: de Zon. Vanaf 1667 gaat Zonnekoning Lodewijk XIV proberen zijn gebied uit te breiden, eerst in de Spaanse Nederlanden, geleidelijk richting de Vlaamse provincies. Begin 1672 vallen de Fransen (met in het kielzog het Katholieke geloof) de Nederlanden binnen en bezetten ondermeer Utrecht. Het begin van de Frans-Hollandse oorlog, die eindigt in 1679. Holland zou in 1672 ook zijn ingenomen als niet in allerijl een waterlinie zou zijn ingericht. Utrecht kampt nog een eeuw met deze terugslag en ook in de rest van het land is het met de voorspoed gedaan.
In Den Haag worden een half jaar na de aanvang van de inval de GEBROEDERS DE WITT door de middenklasse VERMOORD (links) en tentoongesteld. Het is waarschijnlijk dat de 22-jarige Willem III van tevoren op de hoogte was dat de de Witten buiten spel zouden worden gezet. De staatsvorm wijzigt: Willem III (1650-1702) wordt stadhouder. Het 'Eeuwig Edict' uit 1667 mede opgesteld door Gaspar Fagel (1634-1688) en Gillis Valckenier en (tragisch genoeg gezien latere ontwikkelingen) onder bedenkingen van Johan de Witt, waarin het stadhouderschap voor eeuwig zou zijn, wordt opgeheven omdat het onverenigbaar zou zijn met de functie van kapitein-generaal en admiraal-generaal (bepleit in Pierre de la Court's 'The interest of Holland' uit 1662), wordt in 1672 beëindigd. Fagel wordt Willem III's raadspensionaris. De felle anti-orangistische Pierre de la Court verlaat in 1672 het land. 
De voorzitter van een commissie van toezicht op de opvoeding van Willem III (met onder andere Johann de Witt en Gaspar Fagel als leden),
de Amsterdamse burgemeester Gillis VALCKENIER (1623-1680) (rechts), zet al in 1668-1669 de deur open voor de prins en maakt zo een switch van staatsgezind naar prinsgezind bestuur mogelijk. Gezien de reële oorlogsdreiging van de Fransen niet onbegrijpelijk: een oorlogssituatie vereist een centralisatie van bestuur. In 1672 werden op advies van Valckenier zestien leden uit de Amsterdamse raad gezet, waaronder Henrick Hooften Andries & Pieter de Graeff. Coenraad VAN BEUNINGEN (1625-1672) (links), Nicolaas Witsen (1641-1717), Johannes Hudde en andere familieleden werden zijn medestanders.
In 1672 (het Rampjaar) was 'Het land reddeloos, de regenten radeloos en het volk redeloos'. Amsterdam is door een snel ingerichte waterlinie op het nippertje voor een Franse bezetting behoed. De inval en machtswellust van de Franse 'Zonnekoning' maakte een krachtig front nodig. Valckenier was voorzitter van de DESOLATE BOEDELKAMER (zie afbeelding links in het Stadhuis op de Dam), waarbij hij een milde aanpak schijnt te hebben gehad en oplossingen zocht om de schuldenaar weer verder te helpen. Valkenier is in 1670 nog even burgemeester af maar wordt het volgende jaar weer herkozen en is in 1679 de meest invloedrijke Amsterdamse burgemeester. De historische beoordeling van de rol van Willem III is, dat deze tegen de verwachting in een op de belangen van de Lage landen gerichte koers heeft gevolgd en een voorname diplomatieke rol heeft gespeeld in de Europese oppositie tegen de Franse koning Lodewijk XIV. Uiteindelijk komt Engeland in de 18e eeuw als lachende derde uit de bus kwam. Zowel de Nederlanden als Frankrijk zijn financieel uitgeput. Van Beuningen, dan in de vroedschap van Amsterdam, probeert in 1675 een politiek te volgen van overleg met Lodewijk XIV.
SPINOZA, AMSTERDAM EN DE REPUBLIEK
Op een gegeven moment gaat Spinoza (volgens mij, MB) ook invloed uitoefenen op de politiek in de Republiek. de vooravond van de Franse inval laat Spinoza in 1665 zijn werk naar de vraag 'hoe moet ik leven?', de Ethica, liggen en begint aan een werk over de verhouding tussen godsdienst en staat: het Theologisch Politiek Tractaat. Hij neemt hierin de in Amsterdam ontstane situatie, 'Amsterdam deze voortreffelijke stad', als voorbeeld voor een algemener tractaat over een wenselijke verhouding tussen godsdienst, staat en wetenschap. Het is (volgens mij, MB) onwaarschijnlijk dat Spinoza en zijn welgeïnformeerde vrienden niet van de Franse plannen en inval op de hoogte waren en dat Spinoza met het werk niet een rol heeft willen spelen in de politieke situatie van het moment. Het TPT lijkt een oproep om de rijen te sluiten en de vrijheid van denken die na de Opstand in de Republiek was ontstaan te verdedigen.
Inhoudelijk sluit de TPT aan bij de afspraken die in het pact tussen de Zeven Verenigde Nederlanden (de verdragsvorm die was ontstaan na de Unie van Utrecht (1579), de Acte van Verlatinghe (1581) en het pact van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795)). Bij de afspraken behoort dat de provincies een kerkelijke afvaardiging sturen naar Den Haag, hetzij gereformeerd, hetzij katholiek. Op de punten van defensie, belastingen en godsdienstvrijheid hadden deze een pact gevormd en daarmee hun eigen macht overgedragen aan een hoger collectief. De machtshebbers daarin kunnen namens de leden alles doen, wat zij noodzakelijk achten voor de defensie. De leden zijn ook gehouden de benodigde gelden bijeen te brengen.

De POSTKOETS (gevelsteen Singel 74, links) rijdt vanaf 1661 tweemaal per dag van Amsterdam naar Den Haag en terug. Dit maakt een snelle briefwisseling mogelijk.
Spinoza past een vorm van wetenschappelijk-logisch redeneren toe op de menselijke organistaievorm 'de staat' en zoekt naar factoren die bijdragen aan een vredige en veilige staat tegenover staatsvormen, die dat juist niet hebben. In kleinere kring was deze vorm van redeneren ontstaan, met name de wiskundigen van het 'meetkundig gezelschap' van de Leidse hoogleraar Frans Van Schooten (1615-1660) passen rekenkundige modellen toe op menselijke situaties.
Deze redeneertrant toegepast op Europese staten is ook te vinden in 't VERWERD EUROPA' (1675) van Petrus Valkenier, waarin hij van de verschillende staten nauwkeurig de krachtsfactoren aangeeft met het oog op een te verwacht verloop van oorlogen. De begrippen zijn verwant aan die van Spinoza en de la Court. De redeneerwijze staat dichterbij die van Spinoza omdat hij morele factoren, menselijke waarden, meeneemt als krachten. Een belangrijke factor in de Nederlanden is dat de Nederlanders na de Opstand waarde zijn gaan hechten aan vrijheden: gewetensvrijheid, vrijheid van denken. Hij denkt dat (sommige) Nederlanders deze belangrijker vinden dan hun eigen leven. In de lijn met de natuurfilosofie van Hugo de Groot vindt hij dat een staat alles mag doen om zichzelf te verdedigen (dit is een natuurrecht), maar dat een vergroting van invloed met instemming van de andere partij moet gebeuren, bij voorbeeld dat er een verbond wordt gesloten. Hij pleit tegelijkertijd voor één bevoorrechte kerk (dit is overeenkomstig de situatie zoals die in de Republiek bestond). Dit kan ermee te maken hebben dat hij van mening is dat de morele kracht in oorlogstijd daarvan krachtiger kan zijn dan van versnipperde kerken. De precieze inhoud van een geloof is eigenlijk minder belangrijk, aangezien het toch draait om kernwaarden van die samenleving. Achter de schermen van de grote politiek heeft Valkenier veel invloed gehad door zijn invloed als adviseur op Willem III en ander politici.
THEOLOGISCH POLITIEK TRACTAAT
Mogelijk laat Spinoza zijn werk aan de Ethica dus even liggen vanwege toename van de oorlogsdreiging, die in 1672 met hun inval Utrecht zullen innemen. Het past bij zijn denken om hieraan ook iets te willen dòèn (met op 'praxis'-gerichte woorden; zie over TPT en praxis de close-reading van Roothaan). Verder speelt een rol, dat hij in een bedreigende situatie is komen te verkeren toen hij door vertegenwoordigers van de gereformeerde kerk in zijn wooonplaats Voorburg publiekelijk 'een gevaarijk instrument van de republiek' was genoemd en ziet hij zich genoodzaakt zich te verweren. Aan Oldenburg schrijft hij: 'De mening die het gewone volk over mij koestert, dat niet ophoudt mij van atheïsme te beschuldigen; ik voel me gedrongen ook die gedachte af te wenden zoveel als mogelijk is'. Het is de vraag of Spinoza het achterste van de tong laat zien bij deze goede Duits-Engelse vriend, die ook diplomaat is. Andere redenen zouden kunnen zijn dat auteurs uit zijn omgeving, de gebroeders de la Court, Van den Ende en door het werk van Hobbes op dat moment veel aandacht geven aan de Staat en de verhouding tussen godsdienst en staat. Van van den Ende is bekend dat hij zich toen al ongerust maakte over de oorlogsdreiging (mogelijk alleen die van Engelse zijde).
Het omvangrijke werk wordt in 1670 gepubliceerd. De Voorrede geeft de bedoeling aan (samenvatting van F. Akkerman). Ondanks de weerstand die het opriep, is het goed mogelijk dat het boek ook al een positieve uitwerking heeft gehad in de periode waarin het is geschreven. De nodige financiële bijdragen voor de strijd om de vrijheid tegen de Fransen zijn geleverd, ook vanuit 'pacifistisch'-geörienteerde kringen waarmee Spinoza en zijn uitgever veel contact hadden. Misschien heeft het invloed gehad op Petrus Valkeniers ' 't Verwerd Europa (1675)'. Dit werk beïnvloedde Willem III en andere invloedrijke politici (zie boven).
In de TPT wordt herhaaldelijk verwezen naar Alexander de Grote in kritische zin. Hj zal hiermee indirect verwezen hebben naar Lodewijk XIV. Om op deze manier indirect te verwijzen was heel gebruikelijk bij het theater en in de visuele kunsten. Via voorbeelden uit de Oudheid of uit de bijbel werd commentaar gegeven op actuele omstandigheden die niet met name werden genoemd, maar door de kijker makkelijk werden herkend.
Alexander de Grote was het voorbeeld dat Lodewijk XIV de mensen voor ogen hield. Lodewijk’s lievelingsschilder Charles le Brun, die in het Louvre naast de 'Zonnekoning' Lodewijk XIV staat uitgebeeld,verheerlijkte het sneuvelen in de strijd voor een vorst (links) op de 'ALEXANDERSCHILDERIJen (1660-1665)', die hij in opdracht van Lodewijk XIV maakte. Door de mensen deze schilderijen te laten zien, kon Lodewijk XIV zichzelf laten vergelijken met Alexander 'de Grote'.
In het Politiek Theologisch Tractaat (TPT, 17.6) bespreekt Spinoza de wijze waarop Alexander de Grote zichzelf vergoddelijkt om zo zijn eigen doelen na te streven en als een tiran te kunnen regeren. 'Laat de mensen mij maar zien als een halve God', mompelt Alexander, 'ze zullen zich voor míjn belang inzetten en dit vóór hun eigen belang laten gaan'. Spinoza bepleit in zijn hele werk juist dat mensen hun eigen (gemeenschappelijke) belang nastreven en heeft daarom voorkeur voor een democratie en niet voor een monarchie.
OVERZICHT 16e en 17e eeuwse ontwikkelingen in Amsterdam en de Republiek EN SPINOZA'S FILOSOFIE (samenvatting)
De Opstand tegen de Spanjaarden had een gevoel van individuele eigenwaarde gebracht. Van in staat worden gesteld zelf te kunnen denken. In de eigen taal de bijbel lezen. Als men zich voorstelt wat voor een hoog technisch niveau breed gedeeld aanwezig moet zijn geweest bij deze mensen, die hun eigen molens bouwden, de zeeën met hun schepen konden bevaren, boomstammen haalden uit verre streken om daarop prachtige huizen te bouwen, die mooi geïllustreerde boeken maakten en originele schilders voortbrachten, naar wier werk we nu nog graag kijken, dan begrijpt men de brede behoefte aan meer kennis.
De beeldenstorm heeft er toe geleid dat in de niet-Katholieke kerken veel plaats is voor licht en weinig voor beelden, die als afleidend worden beschouwd voor waar het werkelijk om draait (Spinoza benoemde die kernen in definities en essenties; hij en zijn vrienden schrijven veel over licht en proberen ook natuurkundig te ontraadselen wat licht is).
De ontwikkeling van de wiskundige en natuurkundige wetenschappen bracht met zich mee dat deze wetenschappers zich vaak niet meer konden vinden in de bestaande ideeën over God. Maar moeder de vrouw gelooft vaak wel op de traditionele wijze. En de wetenschappers zien ook wel in dat de godsdienst en kerk de mensen begeleiden op hun levenspad. Simon Stevin schrijft hier al in 1590 over: dat mannen van de wetenschap misschien niet meer in God geloven, maar dat zij zich uiterlijk tmoeten gedragen alsòf en dat vrouwen en kinderen zouden moeten worden aangemoedigd in geloof. Met bijbelse verhalen als voorbeelden kunnen kinderen leren 'hoe te leven'. (Over de verhouding tussen traditioneel en/of Natuur(-wetenschappelijk) Godsbeeld schrijft Spinoza uitgebreid).
Helden van de Opstand en het eigen denken (b.v. Coornhert), die de gevangenis hadden gekend, hadden hun geloof niet verloren. In tegendeel lijkt het. Om hun eigen weg te gaan en tegen de stroom in te roeien, was een individueel spiritualisme waarschijnlijk onontbeerlijk geweest. Je ziet dit eigenlijk erg vaak: geen ontkenning van de godsdienst en de bij de godsdienst horende emoties, maar wel maakt men zich voor zichzelf los van de traditionele godsbeelden.
Volgens Schama hechtten de Nederlanders ten tijde van de Republiek zeer aan het gezinsleven. En zag dit er in de ogen van buitenlanders bijzonder uit: de kinderen mochten boefjes zijn en werden meer dan in andere landen geknuffeld. Bekend is dat Comenius met zijn ideeën over onderwijs veel achting kreeg. Deze besteedde veel aandacht aan de ontwikkeling van het denken van het jonge kind door de derde kennissoort (de intuïtieve kennis, die ook bij Spinoza belangrijk is), waarbij zowel de emotionele ontwikkeling als kennis van de natuur belangrijk elementen zijn.
Ons leven is een schip,
'd Weerelt is de zee,
'd Bybel 't peylcompas
Maer 't Hemelryk de Ree.
HUGO DE GROOT
Meer en meer wordt ook gedacht over 'verstandig', 'meetkundig', leven en samenleven. Samenleven volgens natuurlijke principes, waarbij het specifiek menselijke het denken is. Door te denken begrijpt men zichzelf beter, ziet men in dat emoties er zijn om zichzelf in een natuurlijke goede richting te sturen. Het voelt goed te zien dat een ander net zo gelukkig is als jezelf. Dus is dat ook belangrijk om de energie op te richten. Belangrijk hierin is o.a. Hugo de Groot: het is een natuurrecht zich te verdedigen, maar verstandig niet aan te vallen ('de Rede beveelt vrede aan in plaats van oorlog'). Dit komt terug bij mensen met politieke invloed, zoals bij Amsterdamse burgemeesters en bij voorbeeld bij de rijke wapenhandelaarsfamilie de Geer. Dergelijke gedachten komt men ook tegen in Ethica V).
'Al wat geschapen is, streckt tot zyn behoudenisse. Tot behoudenisse van alle gheheel voordert de eendracht der deelen de gheheels. Dit gheheel is hier de menselycke nature, waar af elck mensch een deelken is. Als dan elck mensch doet zo hy ghaarne ghedaan ware, zo wordt niemand veronghelykt.’
D.V. Coornhert
'De mens niet is ontvangen en geboren in zonde, maar in goedheid. Hij is niet voorbestemd tot eeuwige zaligheid of verdoemenis, maar hij kan, met Christus' genade, door eigen toedoen volmaakt worden, op aarde nog. Daarvoor is nodig dat hij zich oefent in het goede en met vrije wil zijn leven voortdurend ten goede stuurt. De vrije wil zal de beste beslissingen nemen als zij zich kan baseren op een waar en oprecht oordeel. Als het oordeel goed is, dan is de gehele mens goed. Wanneer is dat het geval? Als het oordeel zich laat leiden door de 'overste reden' en de 'ware wetenschap' .
D.V. Coornhert
BRONNEN EN LITERATUUR LINKER- EN RECHTERPAGINA SPINOZAWANDELING
Ons kindsheids kercke-kinder-leer
Die hield alleen van noode Het Vader ons,
't Gheloof niet meer, Beendyst en Tien gheboden.
Och, laat ons noch hier blyven by,
Dees woord-twist stellen aan d'een zy
En 's duyvels list verfoeyen! God is de liefd.
Dit is het slot.
Wie in de liefd blijft, blijft in God.
Laat ons in liefde bloeyen.
SPIEGHEL
SPINOZA’S ZEGEL
'GOD IS HET ÉNE DAT ALLES IS. HIJ IS IN ALLES EN ALLES IS IN HEM’
Ibn Esra (1089-1164)
RECHTS VOORAL SPINOZA EN VRIENDEN belangrijkste locaties rood!
| NUMMERS | LOCATIES SPINOZA | ONDERWERPEN |
| 15 | Zwanenburgwal 15, Waterlooplein | Spinoza's geboorteplek, beeld |
| 8 *g, 13 |
Singel 425/UB, Waterlooplein 203 | Menasse ben Israel, Spinoza's jeugd |
| 4 | Nes 59 (nu Frascati) | Ontmoeting met vrienden, collegianten |
| 7, 24, 23 ** |
Spui/Singel 452 ('tLam), Singel 118 (de Zon), Singel 159 ('Bij den toren') | Doopsgezinde gemeenten **g |
| 12 | Singel 267 (mogelijk) |
Franciscus van den Enden, Latijnse school |
| 11. 31,38 |
Keizersgracht 384, Singel 140-142, Keizersgracht |
Schouwburg *∆, Spieghel*, Hooft |
| 16 | Singel 167 (P.C. Hooftgebouw) | NIL, café Stil Malta (L.Meijer) |
| 17 *gb/18 | Van Hasseltsteeg 54 en noordzijde bij Nieuwedijk; Kolksteeg |
Rieuwertsz, tMartelaersboek |
| 21, 44, 47 |
Singel 284, Keizersgracht 50, Keizersgracht 123 |
Hudde *∆TT, Valckenier, De Geer * |
| 3 *∆ |
Stadhuis Dam, Nieuwe Kerk |
Koerbagh's veroordeeld en begraven |
| 19 | Bloemgracht, Rozengracht 184 |
Rembrandts atelier en woonhuis na 1650 |
TOELICHTING BIJ HET BEELD VAN SPINOZA (Zwanenburgwal 15)
Middden in het hedendaagse leven staat het standbeeld van Spinoza aan de Zwanenburgwal. Op of dichtbij zijn geboorteplek in Amsterdam. In het beeld zijn verschillende elementen van zijn theorie verwerkt.

SPINOZABEELD ZWANENBURGWAL
Het beeld van kunstenaar Nicolas Dings nodigt uit om even te gaan zitten op de royale groen-marmeren sokkel. Deze heeft de vorm van een ellips, wat de oneindigheid symboliseert.
Naast het standbeeld met op de mantel naturalistische symbolen als rozen en vogels-van-diverse pluimage. De roos, die liefde symboliseert, wordt gecombineerd met zijn naam Espinoza (doorn). De doorn betekent: ‘Pas op’. De vogels van verschillend pluimage verwijzen naar mensen uit vele windstreken die in Amsterdam waren neergestreken, zoals de Portugees-Joodse ouders van Spinoza, en naar de verrijking die de vermenging van hun culturen met de Hollandse Amsterdam bracht.
Naast de wiskundige figuur, de Icosaëder, een figuur met 20 hoeken, een verwijzing naar de rol van de wis- en natuurkunde in zijn werk. In de rand van het groene marmer staat gegraveerd 'Het doel van de staat is de vrijheid'. Hiermee wordt verwezen naar 'het doel van de staat is vrede ofwel veiligheid' (Theologisch Politiek Tractaat 5.2) samen met 'het doel van de politiek is in werkelijkheid de vrijheid' (TPT 20.6). De vrijheid heeft een ruime betekenis:
'...dat hun geest en hun lichaam veilig zijn krachten kan ontplooien en dat ze zelf vrij hun rede kunnen gebruiken, en dat zij niet door haat, toorn of list elkaar bestrijden noch elkaar wederzijds een vijandig gemoed toedragen' TPT 20.6.
KORTE LEVENSBESCHRIJVING
Spinoza, van maraans-sefardisch-Joodse afkomst, is geboren in 1632 en kwam in de Nes als koopman vanaf zijn 17e jaar. Dat is vanaf omstreeks 1650. Hij ontmoet dan vrienden waarmee hij zijn leven lang contact onderhoudt. Na te zijn verbannen uit de sefardisch-joodse gemeenschap op zijn 24e jaar, heeft hij aansluiting gehad bij vrienden en geestverwanten buiten de Joodse gemeenschap. Met zijn kennis van de Joodse filosofie, de wiskunde, de bijbel en het Hebreeuws krijgt hij een belangrijke inbreng in het lopende Amsterdamse discours, hoewel vaak in het verborgene. Behalve de inbreng van de Joodse opleiding, speelt een rol dat hij het werk van Descartes, de grondlegger van een nieuwe wetenschapsbeoefening op basis van het determinisme, snel begrijpt en zelfs van eigen commentaar kan voorzien. Een deel van Descartes' werk wordt na diens dood in 1650 uitgegeven. Spinoza komt al snel in contact met Descartes' vertaler Glazemaker, die hij adviseert en de uitgever van Descartes' vertalingen Jan Riewertsz, die ook Spinoza's werk deels na zijn dood zal uitgeven. Hij kiest voor een leven zonder vrouw en kinderen en gokt er op gelukkig te worden door de studie van de filosofie gericht op (wetenschappelijke) kennis èn het bereiken van 'zieleheil' vanuit zijn manier van deugdzaam leven. Op zijn 30e verhuist hij naar Rijnsburg. Hier zit hij dichterbij een volwaardiger universiteit dan Amsterdam hem kan bieden. Hier maakt hij indruk met zijn kennis van èn commentaar op Descartes' werk, on der andere bij het illustere meetkundige gezelschap rond wiskundig hoogleraar Frans Van Schooten. Op het huisje waar hij inwoont bij een Rijnsburgse collegiant staat een strofe van collegiant Dirck Camphuijsen (1586-1627).
Ach waren alle mensen wijs
En deden wèl daarbij
Het leven was een paradijs
Nu is het vaak een hel
Na 3 jaar verhuist hij naar Voorburg, waar hij inwoont bij een collegiant en ook de natuurkundige Christiaan Huygens (ook behorend tot Van Schootens genootschap) woont, met wie hij contact onderhoudt. Hij komt in Voorburg in conflict met de gereformeerde dominees, wat de aanleiding vormt voor een nieuw boek: het Theologisch Politiek Tractaat (TPT). Eén van de redenen voor het boek is dat hij wil laten zien dat hij géén atheist is. Hierin slaagt hij niet; het odium van atheisme, 'ongodisterij', blijft tot lang na zijn dood (tot nu toe) om hem heen hangen. Tijdens het schrijven van het boek veranderen de politieke omstandigheden in de Nederlanden drastisch. Waarschijnlijk heeft hij met het boek een rol willen spelen in de politieke situatie die dan volgt en is het boek daarom zonder vermelding van zijn naam in 1670 uitgegeven.
In 1669 verhuist hij naar de Veerkade in Den Haag, waar hij in contact komt met internationale politiek-progressieve figuren, bij voorbeeld de familie Van der PALTS (zie rechts gevelsteen Egelantiersgracht 153/159), waarmee ook Descartes contact heeft, en door wie Spinoza wordt uitgenodigd voor een hoogleraarschap. De protestantse Boheemse Frederik V (1596-1632), getrouwd met de Engelse Elisabeth Stuart (1596-1662), zoon van Paltsgravin Louise Juliana prinses van Oranje (1576-1644) en kleinzoon van Willem van Oranje, speelde een rol in de Europese Protestantse zaak. Zijn beeltenis staat ook op de kaft van Hobbes' Leviathan. In Den Haag woont in die tijd ook Spinoza's goede vriend Abraham Cuffeler (geb. 1637), in wiens werk veel ideeën van Spinoza toegankelijk worden weergegeven (Klever, 1997, ho 8).
Daarnaast met filologen als Graevius en Isaac Vossius. Als de beroemde rabbijn Menassah ben Israel in 1657 overlijdt, neemt Spinoza met zijn kennis van het Hebreeuws, waarschijnlijk van hem over om toelichting te geven op Hebreeuwse teksten. Mogelijk heeft Spinoza nog een tijd geloofd in opstand binnen Frankrijk van de libertijnen, net als Van den Ende. Hij bezoekt in ieder geval om onbekende redenen in 1673 Utrecht om de libertijnse veldheer Condé te spreken. In 1674 zal die hoop zijn vervlogen na de mislukte couppoging en dood van Van den Ende. In 1677 overlijdt Spinoza in de woning aan de Paviljoensgracht in Den Haag. Afgezien van de publicatie van een leerboek over Descartes onder zijn eigen naam en van de TPT, worden zijn verdere werken, waaronder de Ethica wat als zijn hoofdwerk wordt beschouwd, na zijn dood uitgegeven zonder vermelding van auteur of uitgever door de vriendengroep en uitgever Jan Riewertsz.
BEROEP EN MIDDELEN VAN BESTAAN
Spinoza komt uit een welgestelde koopmansfamilie, die ook tijden van tegenslag kent. Aanvankelijk is hij koopman, maar later leert hij lenzen slijpen. Dit beroep zal hij zijn leven lang blijven uitoefenen.
Hij heeft vrienden met wie hij zijn filosofie verder ontwikkelt. Sommige van deze vaak doopsgezinde en soms rijke vrienden bieden aan om hem een toelage te geven, wat hij uiteindelijk voor het benodigde minimum aanvaardt. Spinoza’s levenswijze getuigt van de ‘ethiek van een financieel genoeg’. Zijn eenvoudige en sobere levensstijl wordt alom geprezen. Voor hem is het allerbelangrijkste dat zijn werk eens wordt uitgegeven. In de kosten daarvoor draagt Jarig Jelles aanzienlijk bij. Jelles was een handelaar in vijgen en rozijnen maar deed in 1653 de zaak over aan een ander en gaat rentenieren om zich volledig aan zijn studie te wijden. De uitgave van het TPT wordt door Rieuwertsz gefinancierd.
15, 14. SPINOZA’s JEUGD (Zwanenburgwal 15 of Waterlooplein 205, toen Houtgracht)
PLATTEGROND VAN SPINOZA'S GEBOORTEPLEK;
GEBOORTEHUIS SPINOZA BIJ DE HUIDIGE STOPERA
Of Spinoza is geboren op Zwanenburgwal 15, waar nu het beeld van Spinoza staat, of dichtbij de huidige synagoge aan de Houtgracht, is niet helemaal duidelijk, maar in ieder geval ergens op dat vierkante stukje grond, vlakbij de Stopera. Een gebied waar destijds veel sefardische (Spaans-Portugese) en asjkenasji (Oost-europese) Joden leefden.
Mogelijk is hij geboren naast de huidige Mozes en Aäronkerk. De Portugese synagoge (Mr Visserplein 3) stond er in Spinoza’s jeugd nog niet. Hij heeft hem na de opening in 1675 wel op afstand kunnen aanschouwen. De synagoge en scholen die Spinoza bezocht stonden aan de Houtgracht (nu Waterlooplein). Spinoza heeft hier een zeer goede opleiding genoten met wiskunde en muziek. Hij leerde Hebreeuws en las het oude testament. Hij werd onderwezen in Joodse filosofie door de rabbi’s Saul Levi Mortera (1590-1660) en MENASSE BEN ISRAEL (1604-1657) (rechts). Hierdoor zal hij bekend zijn geraakt met het werk van Maimonides (1135-1204), Gersonides (1288-1344) en Abraham Ibn Esra (1092-1167). Waarschijnlijk ook met Ibn Tufayl (1110-1185; Het leeven van Hayy ibn Yaqzan) en Averroës (1126-1198). Menasse was één van zijn meest liberale leermeesters. Deze woonde in dezelfde buurt. Hij was naast rabbi uitgever van boeken. Tijdens zijn jonge jaren maakte Spinoza de vernederende uitstoting mee van Uriel da Costa (1585-1640) uit de Joodse gemeenschap. Spinoza’s eigen ideeën spoorden net als die van Uriël ook niet altijd met wat hij op school te horen kreeg. Uiteindelijk leidde dit mogelijk in 1656 tot zijn uitstoting uit de sefardisch-joodse gemeenschap, waarschijnlijk vooral onder druk van de calvinistische kerkeraad, die een aantasting van het idee dat er geen hiernamaals zou zijn onacceptabel vond (verklaring van S. Nadler). Wat precies de ban heeft veroorzaakt is niet met zekerheid te zeggen. Er is nog een andere verklaring, waarin een financieel motief centraal staat. Spinoza zelf heeft geen moeite gedaan de ban ongedaan te laten maken, iets wat destijds wel gebruikelijk was.
Aan het Singel 425 wordt MENASSE BEN ISRAËL (rechts op een ets van Rembrandt) geëerd met een gedenksteen aan de muur.
4. NES: ONTMOETING MET VRIENDEN, COLLEGIANTEN EN FRANCISCUS VAN DEN ENDEN (Nes 59-65, Frascati)

Waarschijnlijk is dat Spinoza zelf hier in deze buurt ook woonde in de periode na zijn verbanning uit de Joodse synagoge in 1656. Hij ontmoette waarschijnlijk kooplieden, zoals de doopsgezinde Jarig Jelles (1620-1683) en Pieter Balling, wat vrienden voor het leven werden. Refugees uit verschillende landen woonden vaak in deze diepe panden, die een eeuw eerder kloosters waren geweest met een traditie van opvang van vluchtelingen. Hieronder was ook de VLAAMSE FRANCISCUS VAN DEN ENDEN (1602-1674) MET ZIJN KUNST- EN BOEKWINKEL (links). Hij had ook een kleine drukkerij. Rondom de Nes was de geest van de Rederijerij en classicistisch theater nog aanwezig. Van den Enden zal zeker deze werken hebben verkocht en er met zijn klanten in de winkel over hebben gesproken.
Bij Jan Knol thuis in de Nes vonden collegianten-bijeenkomsten plaats. Op zulke bijeenkomsten werd vooral gepraat over kerkelijke leerstellingen en dogma’s, zoals van de zondeval en het bestaan van het hiernamaals. Of over het bestaan van heksen. Hier konden alle gezindten zich uitspreken. Op sommige collegianten-bijeenkomsten in de buurt (bekend is het Rokin), waar Jan Knol of de Vlaamse doopsgezinde Galenus Abrahamsz de Haan (1622-1706) spraken, kwamen wel 400 toehoorders af.
7, 24, 23, 26. DOOPSGEZINDE/MENNONITISCHE GEMEENSCHAP 't LAM (Singel 452), de ZON (Herengracht 109-111; Singel 118), WATERLANDERS, BIJ DE TOREN (Singel 159) en OUD DOOPSGEZIND CENTRUM WATERLANDERS (Oude Nieuwstraat/Teerketelsteeg)
GEVELSTEEN tLAM
Veel vrienden van Spinoza hebben een doopsgezinde of Mennonitische achtergrond. Ook zijn uitgever Rieuwertsz en vertaler Jan Hendrik Glazemaker (1619-1682).
Nadat de wederdopers in Munster op geweldadige wijze hun idealen hadden getracht te verwezenlijken, heeft met MENNO SIMONS (1496-1561) (rechts) deze stroming zich juist in pacifistische richting ontwikkeld.
Kernpunt van het Doopsgezinde geloof was de wedergeboorte door Gods genade van de individuele mens, waardoor deze in zijn of haar goddelijke natuur werd hersteld. De wedergeborene – de nieuwe creatuur- had de vrije wil teruggekregen om de zonde te weerstaan en zich met behulp van de `heilige Geest' te vervolmaken en één te worden met Christus. Het is opvallend hoezeer opvattingen (ook qua 'geldmoraal', zie links) in het handboek van de doperse christelijke ethiek uit die tijd (Inleidinghe) rechtstreeks lijken te refereren aan werk van de altijd katholiek gebleven Coornhert (Frijhoff; Spies).
Bij 't Lam was Galenus Adriaensz de Haan een veelbezochte voorganger, die ook wel 'sociniaanse' diensten leidde.
Pieter SAENREDAM'S (rechts) buurtkerk toont een hoge ruimte van licht, als het ware een hemelkoepel, waarbinnen de mens zijn ervaringen op de muur krabbelt. Zijn mensen zijn klein, maar niet somber. De Bijbel wordt in het Nederlands gelezen en naar de eigen tijd geïnterpreteerd. 
Er bestaat bij de doopsgezinden verwantschap met de Arminiaanse, remonstrantse stroming. En met de keuze van Van Oldenbarneveldt voor vrede bij het 12-jarig bestand. Meestal leven de mennonieten relatief sober in de geest van Coornherts 'Comedie van de Rijckman'. Dat onder de doopsgezinden veel invloedrijke en rijke kooplieden waren, toonde de tentoonstelling ‘450 jaar Doopsgezinden in Nederland’. De doopsgezinden droegen omstreeks 1672 door een aanzienlijke lening bij aan de strijd tegen de Fransen. Een uitspraak van Riewertsz over Jelles, beide uit mennonitische kring, toont hun ideeën.
RIEWERTSZ OVER JELLES: ......maar ziende dat het bijeenschrapen van geld en goederen hem in de ziel niet gelukkig kon maken, heeft hij zijn bedrijf, toen dat zeer goed liep en veel geld opbracht, aan een eerlijke zetbaas overgelaten en zichzelf er plotseling van losgemaakt. Zonder ooit te trouwen heeft hij buiten alle werelds gewoel de stilte opgezocht om zich toe te leggen op kennis van de waarheid, die tot godszaligheid leidt, en zo de wijsheid te verkrijgen...
Er waren in Amsterdam nog twee doopsgezinde stromingen: De Zon en de Waterlanders. Onderling was vrij veel gekrakeel tussen deze drie stromingen. Wat betreft de omgang met de wereld om hen heen waren de Waterlanders het ruimst van opvatting en hadden van de drie doopsgezinde stromingen de meeste rijke lidmaten. Zij baseerden zich vooral op een eigen uitleg van het Nieuwe Testament en deden elkaar niet gauw in de ban.
Vondel, van huis uit doopsgezind en diaken bij de Waterlanders (1616-1620), (die toen gevestigd waren in de Oude Nieuwstraat), kwam in conflict met hen. Hij wilde de bijbel trouw blijven, niet zo zeer de innerlijke overtuiging. Toen hij genoeg kreeg van de meningsverschillen trad hij toe tot de Rooms-Katholieke kerk De Krijtberg (Singel 448), destijds een huiskerk. De Waterlanders en de Zon zaten noordelijker: de Waterlanders 'Bij den Toren', d.w.z. bij de door Leeghwater (ook mennoniet) gemaakte brug hoogte Singel 159. De ingang tot de Zon is te zien op Herengracht 109-111. Boven het poortje is een klein reliëf van een zonnetje te zien. Wat doopsgezinden gemeen hadden was dat zij zich bij voorkeur vestigden ter 'rechter'zijde van de stad, de westelijke 'Nieuwe zijds' (dit had aanvankelijk een godsdienstige grondslag; bovendien was het vroegere bezit van de Katholieken in de vorm van kloosters vooral aan de Oostkant van Amsterdam gelegen).
Jarig Jelles groeide op aan het Damrak, vlakbij het huidige Victoriahotel. Zijn vader had op het huis een gevelsteen laten maken met de verbeelding van 'Hoop'. Deze maakt deel uit van 'Geloof, Hoop ('De hoop blijft ons geduurig nopen') en Liefde'.
Spinoza's vriend Simon Joosten de Vries (gestorven 1667) woonde ook aan de Westzijde van Amsterdam waarschijnlijk aan het Singel, hoek Lijnbaanssteeg.
11, 16, 19, 21, 23, 34 , 28. SCHOUWBURG (Keizersgracht 384); NIL's CAFé STIL MALTA (Singel 167); REMBRANDT (Rozengracht 184; Bloemgracht); BIJ DE TOREN (Waterlanders, Singel 159); Lodewijk Meijer woonde in zijn jeugd in de Dolle Begijnsteeg, hoek Oude Zijds Voorburgwal 92 (naast 'De Bulldog'); Vondel woonde in zijn jeugd in de Warmoesstraat 39, later Spuistraat 188.
Leden van de Rederijkerskamers trekken gelijdelijk aan de richting op van het Singel, zoals H.L. SPIEGHEL (rechts) en de Keizersgracht (P.C. Hooft). Aan de Keizersgracht had zich al eerder (1618) de Eerste Nederduytsche Academie gevestigd, die zich op last van de vroedschap snel moet terugtrekken. Meer over deze tak van d'Egelantier met devies 'Ijver' op de linkerpagina (onder 'Politiek en rederijkerij' en 'Toneelopvoeringen op straat').

ENTREE SCHOUWBURG
De opvoeringen in de Nes verplaatsten zich naar de Schouwburg aan de Keizersgracht, die 1637 de door van Jacob van Campen was gebouwd. Een beeldje in het pleintje achter de poort eert Coster, Vondel en Hooft als grondleggers van het Nederlandse toneel. Boven de entree Vondels's woorden:
'De weereld is een speel toneel,
Elck speelt zijn rol en krijgt zijn deel'.
Het theater had een functie in het tonen van de ‘rollen’, waarin men zichzelf kon herkennen. Via het toneel kon het publiek geïnspireerd en aangemaand worden tot 'verstandig' leven. Ook kon via op-de-klassieken- stoelende opvoeringen indirect kritiek worden geuit op politieke figuren.
De Schouwburg van Van Campen wordt In 1665 verbouwd. De verbouwde schouwburg heeft andere mogelijkheden.
Er kan méér techniek worden gebruikt en stunts worden uitgevoerd. Dit luidt een algemenere nieuwe oriëntatie van de opvoeringen in: van Barok theater naar op 'rationeel-classicistische' leest geschoeid theater volgens de ideeën van NIL= 'NIL ARDUUM VOLENTIBUS' = 'NIETS IS MOEILIJK VOOR HEN DIE WILLEN' (rechts; 'klimmen naar de lauriertak'). De van huis uit Lutherse Lodewijk Meyer (1629-1681) is van 1665-1669 nog directeur geweest van de Schouwburg, maar krijgt onenigheid met de leiding over het ‘ongeregelde Spaanse repertoire' en richt in 1669 NIL op. NIL oriënteert zich op de rationalistische en puristische ontwikkelingen van de Academie Française, met name Corneille. In 1637 schreef Corneille Le Cid. In dit stuk toont hij de moeilijke keuze tussen de liefde en de eer, waarbij de keus valt op de eer. Een klassieke tragedie waarin hij zich zoveel mogelijk aan de regels hield die gesteld werden door de classicistische esthetiek. In 1647 werd Corneille lid van de in 1635 door Richelieu opgerichte Académie française.
Meijer volgt nog een tweede de lijn, namelijk die van de Eerste Nederduytsche Academie om wetenschappen voor iedereen toegankelijk te maken door de wetenschappelijke termen te vertalen uit het Latijn in het Nederlands, hiertoe geïnspireerd door het ideaal van zijn puristische halfbroer Kók, die een bekend-geworden lexicon schreef. Daarin speelt standaardisatie en definiëring een belangrijke rol. Het idee is dat het tijd bespaart, wanneer mensen niet Latijn hoeven te leren om tóch kennis te kunnen nemen van wetenschappelijke resultaten.
Wat hielden de veranderingen in? In de Schouwburg werden vaak klassieke stukken gespeeld. Dit kon zijn in de vorm van 1. naspelen: het stuk speelde zich af zoals het geschreven was in een Griekse of Romeinse omgeving. 2. een tweede vorm was dat de klassieke personages werden geplaatst in een Hollandse omgeving. Zo schreef Vondel Palamedes, waarin Van Oldenbarnevelt te herkennen was. 3. een derde vorm was dat een klassiek stuk een verbetering onderging, die leidde tot verheffing van het publiek. Vondel plaatste dan een klassiek stuk in een bijbelse omgeving. Een voorbeeld is 'Jephta'.
NIL wilde ook 'verbeteren' vanuit een classicistische contekst, maar dan op een volstrekt andere manier, die meer op de 'rationaliteit' was gestoeld. De Académie Française trad in Parijs op als kunstrechter en wetgever. De leden van NIL willen het publiek voorbeelden voorschotelen, die een hoge graad van perfectie hebben bereikt. Zo nemen de schilders (o.a. Laraisse) van NIL een voorbeeld aan Zeuxis, die voor een schilderij van de mooiste vrouw een aantal mooie vrouwen als modellen neemt en van alle vrouwen de mooiste uiterlijke kenmerken op dat éne schilderij verwerkt.

Dit roept weerstanden op en de lachlust van Rembrandt, die dit van commentaar voorziet op het 'ZELFPORTRET als ZEUXIS'. Hij schildert een lelijke, lachende oude man: zichzelf. In een hoekje van het schilderij is nog wel een oude vrouw geschilderd, maar nauwelijks zichtbaar. Rembrandt zèlf moet als het hoofdonderwerp worden beschouwd. Zeuxis is een figuur uit de Oudheid, die zich doodlachte toen deze op zijn oude dag een oude vrouw schilderde: om zo'n lelijke oude vrouw.
Rembrandt is realistisch genoeg om zichzelf als oud te portretteren en kunstenaar genoeg om dat toch mooi te kunnen doen. Hiermee zet hij zich af tegen stromingen in de kunst die alleen mooie dingen willen laten zien bij wijze van 'verheffing' van het volk. Hijzelf is een representant van de realistische Nederlandse schildertraditie. Na Saskia's dood ontwikkelt hij de realistische stijl nog verder, vaak in religieuze voorstellingen.
Serrarius bekritiseert Lodewijk Meyer (1629-1681). Ook Johannes Bouwmeester, beste vriend van Lodewijk Meijer en lid van NIL, vertrouweling van Franciscus Van den Ende, heeft moeite met de eenzijdige koers die NIL lijkt op te gaan. Over dit geschilpunt schrijft hij met Spinoza (Klever, 2005). Hij brengt de vertaling in van Tufayl's 'Hayy ibn Yagzan', mogelijk op instigatie van Spinoza, een werk dat juist benadrukt dat mensen ook zonder geometrische kennis 'ware kennis' kunnen krijgen vanuit ervaring. Het boek 'Het leeven van Hayy ibn Yagzan' geeft op een eenvoudige wijze een deel van Spinoza's denken weer, onder meer de geometrische methode in zeer begrijpelijke taal. Dit past goed in het streven naar toegankelijkheid van kennis voor iedereen, ook één van Meijers idealen. Het heeft een op empirisme gebaseerde mystieke inslag, die ook in Spinoza's werk te vinden is.
Het gezelschap NIL bracht een aantal werken van P.C. Hooft opnieuw op de planken. Ook werd er een ‘moderne’ uitvoering van de Gijsbrecht van Amstel van Vondel gebracht: alle gebeden en langdradige passages werden er uit geschrapt. De Gijsbrecht was een eerbetoon aan Hugo de Groot, die in 1638 in Frankrijk leefde als balling.
De Schouwburg moet op last van de vroedschap gedurende de oorlogsjaren 1672 tot 1678 de deuren sluiten. Vanaf 1679 worden er stukken opgevoerd in de geest van NIL. Deze trekken een kleine eeuw lang goed publiek. Het zijn stukken die op simpele wijze een 'verheffende' moraal zonder verwijzing naar God op de planken brengen. Waarschijnlijk is hier een historische verbinding te leggen naar het invloedrijke 't Nut van het Algemeen, waarvan de doopsgezinde oprichter Jan Nieuwenhuijsen (1724-1806) in 1787 het hoofdkwartier inricht bij De Zon. Het grondbeginsel van 't Nut: 'Liefde, liefde tot de naasten, om wel te doen in 't algemeen en allermeest de ellendigsten deszelfs, alles uit redelijke beschouwing van het deerniswekkende verval in den Burgelijken Welvaart, en in de goede zeden'.
Meijer heeft twee werken geschreven, waaruit zijn aanpak valt af te leiden: 1. een lexicon met een indeling van woorden in: bastaardwoorden en kunstwoorden en 2. 'Naauwkeurig onderwys in de tooneelpoëzie' (uitgegeven in 1765). Dit laatste is een poging om toneelwetten op te stellen; geheel op 'rationalistische' grondslag. Ook geeft het een omschrijving van de affecten ontleend aan Spinoza. Enigszins 'wiskundig' van opzet met veel definities en precieze onderscheidingen. Hij beoogt een toneeltheorie op een wetenschappelijke aanpak.
Met het lexicon maakt hij het werk van zijn broer af. Een eerste versie van het lexicon is uitgegeven bij Boom, een vervolg bij Rieuwertsz.
13. DE LATIJNSE SCHOOL VAN VAN DEN ENDEN, TONEEL. WETENSCHAP, POLITIEK (Singel vermoedelijk 267)
LATIJNSE SCHOOL
In 1652 is Franciscus Van den Enden (1602-1674) failliet en is hij gedwongen zich te melden bij de 'Desolate Boedel' in het Stadhuis, waar faillissementen, vaak gericht op een nieuwe start, worden behandeld. Hij verhuist met zijn familie naar het Singel, waar hij een Latijnse school sticht. Waarschijnlijk komen hij en zijn eerste vrouw de uit Polen afkomstige Clara Maria en kinderen terecht op het Singel 267, met als buren Ranst, getrouwd met Witsen en de familie van Hendricus Hondius (1597-1651), een bekend cartograaf. Bekend is dat Hondius schilderijen in het bezit van Van den Enden heeft doorverkocht. De familie Ranst was een welgestelde familie, o.a. geparenteerd aan de Coymansen. Gillis Valckenier was getrouwd met Jacoba Ranst. Zoon en burgemeester Nicolaas Witsen (1641-1707) heeft later samen met vriend en burgemeester Hudde veel bescherming gegeven aan het drukken van subversief-geachte boeken en zelf is opgeleid door Comenius. Het pand wordt in 1652 verkocht door Witsen aan Jan Joostz Van Elslant (1596-1654), die het pand waarschijnlijk in bruikleen geeft aan Van den Enden. Een kleinzoon van deze rijke Rederijker, zoon van Boëtius van den Enden, zelf later dichter, krijgt onderwijs aan de Latijnse school. Het huidige pand is in 1903 verbouwd; voor een indruk van het oorspronkelijke gebouw zie hier. Spinoza zal zelf Latijn leren aan deze school en ook lessen geven. Waarschijnlijk heeft hij later ook gewóónd in het huis van Franciscus van den Enden aan het Singel als tegenprestatie dat hij lessen gaf. Op de Latijnse school leerde Spinoza niet alleen Latijn. Hier werd ook veel gesproken over toneel, wetenschap en politiek. Als de school van Van den Enden hier gevestigd was, duidt dit op bescherming en contact in welgestelde en progressieve kringen van Amsterdam en waarschijnlijk makkelijk dagelijks contact met deze kringen. Aan de overkant woont Johannes Hudde (1628-1706). Niettemin verbiedt in 1662 de Amsterdamse stedelijke overheid Van den Enden om nog langer in het openbaar te discussiëren, omdat 'zijn conversatie kenmerken van atheïsme vertoonde'.
TONEEL
Klassieke toneelstukken van de romeinse Terentius (-195 tot- 159) worden door van den Enden als lesmateriaal werden gebruikt. Passages eruit zijn in Spinoza’s Ethica terecht gekomen, waarschijnlijk omdat Spinoza ook wel eens meespeelde in zo'n stuk (als slaaf in Eunuchus). In 1657 werd een toneelstuk van Franciscus van de Enden zèlf, Philedonius, 'Lusthart', opgevoerd; een stuk over het beheersen van de lust door de rede. Joost van Vondel schreef 'TOONEELKRANS' voor de hoofdrolspeler (rechts)
WETENSCHAPPERS
Enkele van de leerlingen aan de Latijnse school blijken toekomstige wetenschappers te zijn. Van den Enden en vooral Spinoza komen geleidelijk aan in contact met de wetenschappelijke wereld. Spinoza met name ook door zijn kennis en vernieuwende ideeën van het werk van Descartes. Hoe Spinoza met Descartes' werk in aanraking kwam is niet bekend, maar het ligt voor de hand dat Van den Enden en Rieuwertsz vanuit het boekenvak hierin een rol hebben gespeeld en voor Spinoza hierover gesprekspartners zijn geweest. Van den Enden, Spinoza, Burchard de Volder, (1643-1709), (vanaf 1670 hoogleraar experimentele fysica in Leiden), Johannes Hudde, Lodewijk Meijer, Johannes Bouwmeester komen regelmatig bijeen in 'heerlijke vergaderingen', aldus P. Baert in een brief aan Christiaan Huygens (Klever 1997, p 206). De Deense anatoom Olaus Borch (1626-1690) schrijft over Amsterdam dat dit een verzamelpunt was geworden voor radicale en atheïstische Cartesianen. En vermeldt dat het stadsbestuur van den Enden publiek optreden had verboden.
VAN DEN ENDEN EN POLITIEK
Hij vervulde daarnaast internationale diplomatieke functies. Hij zou aandeel hebben gehad in de standkoming van de vrede van Münster (1648). Verder schreef hij voorstellen voor egalitaire kolonisten-gemeenschappen. Er waren destijds kolonisten, die zich vestigden in de nieuwe, vaak vrij lege, gebieden die veroverd waren in andere werelddelen.

In zijn ‘Kort Verhael van Nieuw Nederlants Gelegenheit’ (1662) geeft van den Enden zijn visie op het politieke begrip gelijkheid. De staat moet aan iedereen in gelijke mate baat brengen. Het welzijnsverhogend effect van de staat moet optreden onafhankelijk van iemands talenten, geslacht, bezit, en maatschappelijke status. Hij verzet zich uitdrukkelijk er tegen dat gelijkheid zou neerkomen op gelijkschakeling.
De wetten moeten zich richten op het algemeen nut terwijl zij aan iedereen op gelijke manier ruimte geven voor eigenheid.
In zijn (links) ‘VRYE POLITIEKE STELLINGEN’ (1665) spreekt van den Enden, 'pionier van de democratische gedachte' zich uit voor vrijheid van spreken en voor het algemeen recht om zich te ontwikkelen. Verder werkt hij het idee uit van volks-souvereiniteit. Hij is er van overtuigd dat het volk door de praktijk van de democratie in volksvergaderingen en overleg aan ervaring en inzicht zal winnen. Als voorbeeld voor hoe de democratie kan werken noemt hij de gang van zaken in Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Maar hij waarschuwt ook dat alle functionarissen met een wakend oog moeten gevolgd worden, vooral diegenen die uitmunten in welsprekendheid en hebzucht. In het naschrift spreekt hij zijn woede uit over Hollands laksheid in deze oorlogstijd, waarbij hij over de regenten zegt dat zij 'de enige opstoppers van Hollandts volx dappere yver' zijn.

Van den Enden wordt wel beschouwd (Wim Klever) als een voorloper van de Franse Revolutie waar de begrippen vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid tot maatstaf werden van een nieuwe samenleving.
Franciscus Van de Enden zal in 1674 worden opgehangen op de Place de la Bastille omdat zijn coup samen met Franse opstandige edellieden tegen Lodewijk XIV ontijdig werd ontdekt. Het lijkt waarschijnlijk dat hij deze coup een aantal jaren van tevoren heeft voorbereid. De vraag is in hoeverre Spinoza hiervan op de hoogte is geweest (zie bij 'TPT'). In ieder geval lijkt schoonzoon Kerckring (1683-1693), die net als van den Enden internationaal en diplomatiek actief was, ook betrokken te zijn geweest (ontleend aan 'LIEVER MET WERCKEN, ALS MET WOORDEN', rechts).
47, 48, 49. COMENIUS (Keizersgracht 123, later Egelantiersgracht 62, later Prinsengracht 411 'Diamantroos')
Jan Amos Comenius was een bekende pedagoog, die veel waardering kreeg in de Nederlanden. Comenius was al tijdens zijn leven een ereburger van Amsterdam; deze Tsjech wordt nog steeds beschouwd als de grootste pedagoog van deze eeuw. Hij ontwierp een schoolsysteem voor Polen, Zweden en Hongaren. Vanaf 1632 schrijft hij ook in het Latijn. Een groot deel van zijn werk verschijnt bij Nederlandse uitgevers. In de 30-jarige oorlog wordt hij verdreven uit zijn land. In 1648 wordt hij bisschop van de Boheems-Moravische broederschap in ballingschap, die voortbouwt op de ideeën van Huss (1372-1415). Gesteund door de gemeente Amsterdam en enkele rijke Amsterdamse patriciërs (waaronder vanaf 1634 de familie de Geer, in wiens HUIS MET DE HOOFDEN, links, hij gewoond heeft, zia gedenkteken op de gevel van Keizersgracht 123) ging Comenius verder met schrijven en publiceren. Zijn verzamelde pedagogisch-didactische werk Opera Didactica Omnia (1657) droeg hij op aan de stad Amsterdam: 'De meest geliefde onder de steden, het juweel van de Nederlanden en de trots van Europa'.
Hij hecht belang aan beeldmateriaal en kleuren in het onderwijs.
Omdat in COMENIUS' (rechts) werk net als in dat van Spinoza het intuïtieve verstand een rol speelt, wordt hij hier genoemd. Ook beïnvloedde hij mogelijk Spinoza's sociologische en politieke methodologie; in ieder geval zitten hier duidelijke parallellen in wijze van 'waarnemen' (M.B.). Nog een reden is dat hij zich begeeft in dezelfde internationale kringen, als waar Spinoza contact mee heeft. Bekend is bekend dat Pieter de la Court (1618-1685) contact had met Comenius (Frijhoff, 1989). Ook stond werk van Comenius in de boekenkast van Adriaan Koerbagh en staat hij in diens Liber Amicorum.
In 1645 ontmoette hij Descartes, die toen verbleef op het Leidse kasteel Endegeest. Zij konden het echter niet in alles eens worden: Comenius is een holist en een chiliast, Descartes een dualist, die Comenius' vermenging van filosofie en theologie niet kon waarderen.
In 1668, schreef Comenius (de patriarch van het licht) zijn beroemde boek ‘Via Lucis’ (De weg van het licht) waarin hij in drie geschriften indringend de drievoudige stralingskracht en werking van het licht onder de aandacht brengt.
Hij verklaart de eerste tekst, het boek van God zelf, als het hoogste geopenbaarde licht.
In het tweede geschrift, Het boek der natuur, laat hij zien dat het goddelijke licht zich in zijn schepping openbaart.
Het derde boek gaat over het mysterie van de mens, de Minutum Mundi, de microkosmos. Dit is de ‘kleine wereld’ waarin de mens tot zelfkennis dient te komen, waardoor hij direct de zich openbarende, levende natuur kan aanschouwen.
Tegenwoordig gebruiken de wetenschappers slechts twee methoden: de analytische (het ontleden tot de kleinste feiten zijn gevonden) en de synthetische (het samenvoegen van allerlei feitelijke inzichten). Comenius onderscheidde daarnaast een derde, de 'syncretische', namelijk een methode waarbij het handig is om bestaande inzichten te vergelijken. (E.J, Dijksterhuis: De mechanisering van het mensbeeld, 1950). Spinoza gebruikt deze methode met name in de TPT . Deze is terug te vinden in de sociologische methode van het maken van ideaaltypes. Spinoza vergelijkt verschillende staatsvormen (o.a. die van de Hebreeërs tijdens Mozes) en probeert te achterhalen, hoe de meest vreedzame staat kan worden bereikt. De wetenschappelijke methode van de fenomenologie, die door Husserl is ontwikkeld, maakt ook optimaal gebruik van de derde kenwijze. Dat het vermogen om razendsnel vergelijkingen kunnen maken diep in onze hersenen zit, valt af te leiden uit de taalverwerving op zeer jonge leeftijd. Spinoza wijst erop dat dit vermogen in de mens, ieder mens, zit en dat de functie van de bijbel vooral in het aanspreken van dit hersengebied zit. De functie van de bijbel is met name het geven van goede voorbeelden, die mensen in hun eigen situatie kunnen toepassen.
Aan het eind van zijn leven, van 1656-1670 woonde Comenius (1592-1670) in Amsterdam, Hij woont een tijdje op de Keizersgracht 123, het 'Huis met de twee hoofden' bij zijn beschermer, de rijke metaal- en wapenhandelaar Laurens de Geer (1622-1666). Hij stond aan het hoofd van een kleine Tsjechische drukkerij en uitgeverij. Vanaf 1662 was hij ook lid van het boekdrukkersgilde. Hij verzorgt onderwijs aan burgemeesters Pieter de Graeff (1638-1707) en Nicolaas Witsen (1641-1717).
Comenius verzette zich tegen wantoestanden van het opkomend kapitalisme, verwierp de uitbuiting van de koloniën en zocht daarbij steun in de mystiek. Egoïsme in de mens kan men volgens hem het beste bestrijden via de opvoeding. In zijn 'Grote onderwijsleer; de volledige kunst alle mensen alles te leren' stelde hij dat iedereen naar school moet, omdat iedereen dezelfde aanleg tot leren heeft. Ook vrouwen en armen behoorden een opleiding te krijgen.
47, 35. LOUIS EN LAURENS DE GEER (Keizersgraht 123), SERRARIUS en de Rozekruizers (Bloemstraat 16 ; Bloemgracht 19), Oldenburg, LOCKE

De familie de Geer is een van de rijkste in de Republiek. Dankzij het lichtere, makkelijker vervoerbare geschut dat de Nederlander van Waalse afkomst De Geer produceerde, werd Zweden een belangrijke militaire mogendheid. Hij bracht de Waalse hoogoven naar Zweden en trok van 1620 tot 1640 duizenden Waalse en Lotharingse werklui aan.
Het huis was een gastvrij onmoetingspunt van vrijdenkers die in Amsterdam een veilige haven vonden. Zowel vader Louis (1587-1652) als zoon Laurens de Geer (1622-1666) ondersteunden studie en publicatie van dissidente schrijvers en filosofen (zoals Comenius) en realiseerden in hun huis een veelzijdige bibliotheek. Hier is thans een deel van de Bibliotheca Philosophica Hermetica ondergebracht.
Comenius staat in contact met Petrus Serrarius (1600-1669), een Nederlands theoloog, een millenniarist, koopman en collegiant. Hij is van Schotse afkomst en heeft in Oxford gestudeerd. Deze wordt wel beschouwd als de 'deken' van de dissidenters in Amsterdam. Hij heeft contact met Adam Boreel (1603-1667), John Dury (1596-1680) en Menasseh ben Israel (1604-1657) (Richard Popkin: Spinoza and the sciences, 1986). Ook met quakers en William Ames (Engelse protestant, die zich mengde in de tegenstelling tussen calvinisten en arminianen; 1576-1633).
Volgens Popkin bestaat er een nauwe associatie met Spinoza, wiens beschermer en contact met de buitenwereld hij zou zijn.
In deze kringen leeft een hoge toekomstverwachting, die breed wordt gedeeld. Serrarius komt enkele malen met een ander jaar voor de komst van de nieuwe Messias (1656, 1665). Vaak heeft het een internationaal-politiek tintje; Menasse ben Israel probeert Engeland te bewegen Joden toe te laten. Ook Spinoza lijkt tot aan 1658 geïnteresseerd te zijn in deze ideeën samen met twee Joodse vrienden Juan del Prado en Daniël Ribera. Spinoza's contact met Oldenburg (zwager van John Dury) is hier waarschijnlijk ontstaan. De uit Bremen afkomstige Oldenburg (1618-1677), secretaris van de Engelse Royal Society, onderhoudt contacten met Europese wetenschappers en heeft contact met Robert Boyle (1627-1691) en Thomas Hobbes (1588-1679). Hij correspondeert ook met Spinoza. Volgens Klever bespreekt hij de brieven in kleine kring, waartoe ook Boyle en John Locke (1632-1704) behoren. Klever is er van overtuigd dat vooral de later als Verlichtingsfilosoof bekende Locke enthousiast is over Spinoza's werk. Hij toont aan dat LOCKE (rechts) veel ontleende aan Spinoza in zijn 'ESSAY concerning HUMAN UNDERSTANDING (links) over o.a. moraal. Hierin bespreekt hij hij de drie soorten kennis, die bij Spinoza en Van den Enden ('drieerley kennissen') zo belangrijk zijn. Verder schreef LOCKE twee verhandelingen over 'GOVERNMENT', STAATSBESTUUR (linkerkolom, rechts) net als Spinoza en sluit aan bij diens idee uit de TPT, dat 'de rede vrede aanraadt'. Hierin gaat Locke ook terug op het natuurfilosofisch werk van Hugo de Groot: de staat mag alles doen om zich te verdedigen, dat is een natuurrecht. Deze gedachte is ook bij Spinoza te vinden. Locke dook nog enge tijd onder in Amsterdam (1683-1689), waarbij hij een schuilnaam aannam die de Groot ook had gebruikt.
5, 1, 25, 40, 41 44. DESCARTES (Descartes: 5. Kalverstraat, 25 met opschrift: Westermarkt 6) EN ANDERE GELEERDEN (CLASSICISTISCH WOONHUIS van HUDDE (architect Vingboom, Singel 284); (Locke, 41. Damstraat, 40. Westermarkt)
Onder invloed van Descartes gaan de wetenschappen een nieuwe richting in. Aan de universiteit vindt een tweestrijd plaats tussen cartesianen en anderen. Descartes gaat er op basis van empirische waarneming van uit dat alles onderworpen is aan wetten van oorzaak en gevolg en wordt daarmee de vader van de moderne wetenschap. Hoewel in Descartes' systeem eigenlijk geen plaats meer is voor het 'boven'natuurlijke, blijft bij hem het traditionele godsbeeld overeind. Hij blijft ook zelf Katholiek. Eigenlijk is zijn op waarneming berustende methode niet geschikt om de menselijke geest te bestuderen (nog steeds is deze beperkt). Hierdoor neemt hij geen afstand van het negatieve beeld dat de mens over zichzelf heeft door de Zondeval en de daarmee samengaande disciplinering door straffen, ook in het hiernamaals. In de mooie door Lodewijk Meijer geschreven Voorrede staat dat Spinoza andere methodes wil gebruiken. Bij Spinoza vallen God en de Natuur dan werkelijk samen. Hierdoor kan de mens zichzelf accepteren en krijgt daarnaast meer zicht erop hoe hij zich samen met zijn omgeving kan 'perfectioneren'.

SPINOZA 'DE AMSTERDAMMER' OVER DESCARTES' BEGINSELEN VAN DE WIJSBEGEERTE
/METAFYSISCHE GEDACHTEN (1663)
Verschillen tussen Spinoza en Descartes zijn
1. wat betreft de methode: Descartes twijfelt aan alles wat we weten of dat ware kennis is (alleen dát we denken en daarom bestaan, daar mogen we vanuit gaan). Spinoza denkt dat we ook veel 'ongeveer'- ware kennis hebben en dat dit intuïtieve weten ook gebruikt kan worden. Wel is het goed is deze met de juiste methode en (logisch) denken zoveel mogelijk om te vormen naar ware kennis. 2. Spinoza's conclusie over de mens is dat hij bepaalde passies en daaraan verbonden emoties zou moeten proberen te matigen, maar niet, zoals volgens Descartes in de lijn met voorstellingen uit verschillende religies, zou moeten onderdrukken. Emoties horen immers tot onze natuur en ons 'natuurrecht'. Door kennis kunnen we ons 'emotiemanagement' vergroten en daardoor 'adequater' en gelukkiger leven; ons leven 'perfectioneren'. 3. er bestaat ook een verschil in inzicht in de bewegingswetten, hierbij gaat Spinoza er vanuit dat alles beweegt te midden van een bewegende wereld. Dez oefent voortdurend aan alle kanten druk uit, waardoor ook bij wegvallen van de druk beweging kan ontstaan. Terwijl voor Descartes beweging alleen wordt veroorzaakt door overdracht van ene bewegingsimpuls (zie ook Klever over Cuffeler).
Hoewel Descartes dus niet lang vóór Spinoza een immense sprong voorwaarts zette, die nog niet was verwerkt, zet Spinoza al weer de volgende stap met behulp van de logica. Op verzoek van de 19-jarige student in de Carthesiaanse filosofie in Leiden Caesarius, schrijft Spinoza in Rijnsburg een samenvatting van Descartes' methode, waarbij hij meteen enkele kanttekeningen maakt (Metafysische Gedachten, COGITATA METAPHYSICA, zie het kaft rechtsboven; hierin oppert Spinoza dat een God zonder wonderen te doen, wellicht volmaakter is dan een God die wonderen nodig heeft). In 1663 vraagt de Amsterdamse kring (zie onder 'Ethica') aan Spinoza om dit uit te geven. Het wordt gedirigeerd en voorzien van een voorrede door Lodewijk Meyer en onder Spinoza's naam uitgegeven bij Jan Riewertsz.
ANDERE GELEERDEN (Leiden, Voorburg, o.a. Engeland)
Naast in Leiden afgestudeerde dokters als Lodewijk Meyer en Johannes Bouwmeester, die behoorden tot de nauwe kring van zijn Amsterdamse vertrouwelingen, stond Spinoza in contact met bekende wis- en natuurkundigen en fysiologen, als Boyle, de secretaris van de Royal Society Oldenburg en de Deen Niels Stensen (1638-1686)(fysioloog ). Ook met de wiskundige en filosoof Leibniz (1646-1716) had Spinoza contact.
Er zijn vanaf 1666 brieven van Spinoza bekend aan de wis- en natuurkundige Johannes HUDDE (1628-1704) (links), die deel had uitgemaakt van het ‘meetkundig gezelschap’ van hoogbegaafde studenten van de Leidse hoogleraar Frans van Schooten Jr (1615/16-1660). Deze publiceerde zelf in 1660 over Descartes. Mogelijk was Hudde de overbuurman van Van den Enden geweest. Tot het gezelschap behoorden ook Johan de Witt en Christiaan Huygens. In de Voorburgse tijd bestond er contact tussen Spinoza en natuurkundig talent Christiaan Huygens (1629-1695). Tussen beider werk bestaat een opvallende gelijkenis in wijze van redeneren en formuleren waar het de kosmos betreft.
Spinoza's kracht ligt vooral op het gebied van de wiskunde en de logica, niet op uitgebreid eigen empirisch onderzoek. Mogelijk heeft hij zijn stelling dat alle zijnden zijn ingericht op basis van de 'conatus' (streven tot zelfbehoud) afgeleid uit wat hij door zijn lenzen zag. Fysioloog Stensen vertelt dat Spinoza geïnteresseerd was in diens hersenonderzoek: ....In die tijd (1661-1662) kwam hij (Spinoza) gedurende meerdere dagen elke dag bij mij kijken naar mijn anatomie van hersenen, die ik uitvoerde op verschillende soorten dieren, om de plek te ontdekken waar de bewegingen ontstaan en waar de zintuiglijke gewaarwordingen eindigen.... Hoewel hij wel probeerde om net als Descartes zo veel mogelijk natuurkundige en anatomische kennis te verkrijgen, lijken Descartes' fysiologische en Huygens' natuurkundige kennis moderner dan die van Spinoza. Diens mogelijkheden van toegang tot universitaire kennis was ook aanzienlijk minder. Christiaan Huygens, die in 1690 als eerste het licht verklaarde als golfverschijnsel, had overigens zijn licht-theorie pas na Spinoza's dood rond.
Aan Rembrandt's 'NACHTWACHT' (rechts) en Vermeers 'ASTRONOOM' (links) valt af te lezen hoezeer het licht in deze tijd een rol speelt. Ook in de schilderkunst. Waarschijnlijk is een verhandeling over de regenboog aan Spinoza toe te schrijven.
Verschillende Nederlandse wetenschappers uit de kring van Van Schooten gingen belangrijke politieke functies vervullen. Hudde ging later deel uitmaken van de vroedschap van Amsterdam en werd later vele malen benoemd als één van de burgemeesters. Gillis Valckenier was zijn neef. Johan de Witt werd raadpensionaris. Christiaan Huygens was zelf nogal teruggetrokken, maar zijn vader en broer Constantijn speelden beiden een belangrijke rol in de politiek en de kunsten.

Het meetkundig denken wordt ook toegepast op politieke krachtenvelden (zie links over tVerwerd Europa van Petrus Valkenier). Hoogstwaarschijnlijk is Petrus Valkenier familie van Gillis (maar niet van de Amsterdamse tak; hij woont wel in Amsterdam). Petrus bevindt zich in de kring van de familie de Geer, zoals blijkt uit diens huwelijk in 1670 met Charlotte Becx Van Oersbeek, de dochter van de boekhouder van De Geer; hij heeft ook contact met Gaspar Fagel (1634-1688), de raadpensionaris van Willem III. Het boek oefent daadwerkelijk invloed op de politiek uit. In dit boek ook weer de gedachte (in de lijn van Hugo de Groot) dat oorlog niet gevoerd moet worden om anderen aan te vallen om macht uit te oefenen, alleen als de staat wordt aangevallen; dan is het een natuurrecht zich te verdedigen. Die theorie stelde Gillis Valkenier in de realiteit van de dreiging door de Zonnekoning 'Lodewijk XIV' en de aanloop naar de oorlog met Lodewijk XIV voor het dilemma van verder te gaan met coalities vormen of om (land)oorlog te gaan voeren om de vrede en veilighied te verdedigen. De gevelsteen van recente datum rechts, Keizersgracht 50 'HET MEDEDOGEN' op het huis van familie VALCKENIER (44) geeft mjns inziens, MB, wel een passend beeld van Gillis Valckenier; Gillis Valckenier is de voorzitter van de DESOLATE BOEDELKAMER (zie voor afbeelding linkerkolom), die faillissementen afhandelt. Iets wat hij met mededogen lijkt te doen, waarbij oplossingen worden gezocht voor de schuldenaar (in onderzoek: dit gold bij voorbeeld voor Franciscus Van den Enden in 1652). Volgens de gangbare geschiedopvatting is Gillis echter mededogenloos en sluw; hij kwam in aanvaring met burgemeester de Graeff. Beiden zaten in de commissie rond Willem III, zie rechterkolom, waarbij de Graeff zich absoluut aan de staatsgezinde zaak van het 'Eeuwig Edict' had gecommitteerd. Het lijkt mij dat Spinoza het optreden van Gillis Valkenier, de keuze op dat moment 1668-1672 voor de prinsgezinden en het naar voren schuiven van stadhouder Willem III als realistisch zou hebben onderschreven (hoe dramatisch ook); in de TPT staat dat een machtshebber aan wie wij het verdedigen van onze veiligheid en vrede hebben overgedragen daartoe alles mag doen wat hem nodig lijkt). De switch in de Amsterdamse raad in 1672 (zie linkerkolom bij Valckenier en politiek) op advies van Valckenier is ten gunste van personen die Spinoza persoonlijk goed kenden. Nog niet genoemd is de getalenteerde Coenraad van Beuningen, die Spinoza's ideeën al vroeg persoonlijk kende en onderschreef. Christiaan Huygens' Cosmotheoros, waarin hij zijn broer Constantijn meevoert op een reis door het heelal, laat deze zich ook uit over machthebbers en oorlogvoeren; het verschijnt in 1698 (Icke).
3, 20, 22. ADRIAAN KOERBAGH (veroordeeld in 3. STADHUIS, DAM, waarvan een uitgebreide bescrijving bij Van Moerkerken; 20. Rasphuis, Heilige weg; later Willige Huis, Schippersgracht; 22. opgebaard in Oude Nieuwstraat 8; 3. begraven Nieuwe Kerk)

Adriaan Koerbagh (1632-1669) studeerde ondermeer rechten in Leiden. Het rechtenonderwijs was breed en praktisch geörienteerd; de studenten moesten zich voornamelijk richten op het Romeinse recht en gecombineerd met Hugo de Groots 'Inleidinghe tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid (1631) moesten ze zich het Nederlands recht eigen maken.
Hij was via de studie bevriend met Meyer, Bouwmeester en ook met de vertaler van Leviathan Abraham Van Berckel. Behalve arts was hij ook jurist. Hij schreef het nauw aan Spinoza's werk verwante boek over godsdienst in wijsgerige betoogtrant 'Een LIGT schynenende in duystere plaatsen om te verligten de voornaamste saaken der Godsgeleerdheid en Godsdienst' (zie rechts). Hieraan voorafgaand had hij 'Een Bloemhof van Allerley lieflijkheid sonder verdriet' (onder pseudoniem Vreederijk Waarmond) geschreven. Dit wordt een 'kwetsend' woordenboek genoemd. Van Moerkerken: 'Het heeft de schijn van een 'Algemeen Woorden-boek der Bastaardwoorden', maar in werkelijkheid is het een alfabetisch-geordende bestrijding van elke dogmatische godsdienst en in het bijzonder de Christelijke'. Koerbagh schreef verder in de lijn van Lodewijk Meijer 'Nieuw woordenboek der Regten' (1664). Hierin neemt hij het lexicografische werk van Meijer als basis en voegt er eigen toelichting en eigen ideeën over het recht aan toe. Bekend is dat Adriaan Koerbagh boeken van Coornhert en Comenius is zijn boekenkast had.
Als rechtsgeleerde neemt Koerbagh een loopje met het Corpus Juris, het wetboek, dat hij een zeer groot boek noemt waarin ook veel schone grollen en onnodige wetten staan. 'In een half zo dik boek zou men in onze eigen taal, op helder en bondiger wijze meer en noodzakelijker wetten kunnen beschrijven dan in het ganse Romeinse wetboek staan. Maar zo zijn wij, vrije mensen volgens eigen zeggen, en die ons toch als dwazen binden aan taak en wetten van een ander volk. Het schijnt wel of men zodoende te kennen geeft, dat God aan de heidense volken meer wijsheid en verstand heeft gegeven dan aan ons'.
Bij 'Loy, wet' staat: 'De rechtsgeleerden weten toch evengoed als Plato, die eertijds gezegd heeft: "Bij volken die veel wetten hebben zijn ook veel twisten of kwade gebruiken". Uit de menigte van twisten en onenigheden hebben rechtsgeleerden voordeel. Justinus, een Romeins geschiedschrijver, verhaalt van de Scyten dat zij met weinig wetten béter leefden dan de Grieken met al hun wetten en geleerdheid. De Romeinen hebben ook zeer veel wetten gehad, nog meer dan de Grieken. Toch hebben zij geleefd in moord, roof, moedwil en allerlei overdaad. Zo schijnt het wel dat, waar veel wetten zijn, ook veel overtredingen plaats hebben; waar weinig wetten zijn, weinig overtredingen'.
Het tragische vervolg is vrij algemeen bekend (mede door het verslag van Hans Bontekoe in Van Moerkerken), hoewel rond de precieze toedracht nog veel onduidelijk is. Vooral wat de rol is van Abraham van Berckel. De drukker van 'Het Ligt...' staakte halverwege het drukken vanwege de inhoud en ging er mee naar de authoriteiten. De Kerkeraad had de Amsterdamse magistraat al aangesproken op het werk, aanvankelijk vanuit het idee dat het van broer en toekomstig dominee Johannes Koerbagh afkomstig was en er was al besloten tot actie. De Kerkeraad had zware druk uitgeoefend. Voor hen speelde ook nog eens een rol dat Koerbagh ongehuwd samenwoonde met een vrouw met wie hij een kind had.
Adriaan Koerbagh lijkt studievriend Bouwmeester tijdens het proces buiten schot te hebben gehouden. Ook over Spinoza zegt Adriaan Koerbagh alleen dat hij hem wel eens heeft bezocht, maar dat hij zijn kennis van het Hebreeuws echter niet van hem heeft.
De uitkomst was dat Adriaan in juli 1668 werd veroordeeld tot extreem zware straf, eerst 10 jaar gevangenisstraf, daarna verbanning. Johannes werd wel snel vrijgelaten. Adriaan Koerbagh begon de straf uit te zitten in het Rasphuis aan de Heilige weg (20) en is in oktober 1669 overleden in het 'Willige huis' aan de Schippersgracht, waarheen hij was overgeplaatst. De Kerkeraad had gevraagd om een onderzoek naar hoe het met hem ging in het Rasphuis. De rapportage van dominee Vinckius liet echter meer dan een jaar op zich wachten. Koerbagh overleed een week na diens rapportage.
Zijn jongere broer Johannes (1634-1672), theoloog, wordt ook veroordeeld in dezelfde tijd tot een vergelijkenderwijs lichte straf. Hij blijft nog op zijn eigen wijze preken. Uit de protocollen van de Kerkeraad blijkt dat hij op een goed bezochte bijeenkomst op het Rokin 'lasterlijk heeft gesproken over onze Zaligmaker Jezus Christus en tegen 'syn eeuwige godtheyt en voldoeninghe...''. Johannes en ook zuster Lucia sterven enkele jaren na Adriaan in 1672. Zij liggen begraven in de Nieuwe Kerk.
Het is nog steeds een vraag waarom het zo gelopen is als het is gelopen. Gingen de broers werkelijk te ver? Van Koerbagh is wel bekend dat hij de reële aanwezigheid van Christus in het sacrement van het avondmaal ontkende. Met een verbod van de Staten op het socianisme was waarschijnlijk ook dit leerstuk veboden. Was het de jongere broer die te bedreigend werd voor de kerk? Was het de politieke situatie, waarin de calvinisten en het leger weer een grotere rol moesten gaan spelen? Speelde een rol dat er mensen buiten Amsterdam bij betrokken raakten, waaronder Van Berckel? Zelfs Hudde ondersteunt de straf en ook valt deze onder verantwoordelijkheid van diens neef Gillis Valckenier. Toch zullen deze twee enkele jaren in 1675 later als burgemeesters Rieuwertsz, die vergelijkbare boeken drukt, benoemen tot stadsdrukker en hem zo bescherming bieden. Hadden ze erop gerekend dat de soep niet zo heet zou worden gegeten als die werd opgediend en ze Koerbagh na korte tijd hadden kunnen doen verbannen?
In 1691 verschijnt 'De betoverde weerelt' van Balthazar BEKKER (1634-1698), een boek over heksen dat net als Koerbagh's boeken veel stof deed opwaaien. Het werd gepubliceerd door een drukkerij, die net als dat van de jonge Rieuwertsz vlakbij het Beursgebouw was gevestigd. Sommige steden verbieden het boek, maar Amsterdam en de Staten van Holland niet. Bekker, die dominee is, mag van de kerk niet meer preken, maar aan hem wordt door Amsterdam het salaris doorbetaald.
18. CAUTE! (Dirk VAN HASSELTSSTEEG 't Martelaersboek)

Vernieuwende wetenschappelijke ideeën roepen weerstand op. Waar het de godsdienst betrof vooral bij het volk. Spinoza lijkt hier zich goed van bewust en begrijpt dit wel. Al het denken is beperkt door de beperkingen in het menselijk bevattingsvermogen. Als wetenschappers al slechts een beperkt inzicht kunnen krijgen, dan geldt dat in sterkere mate voor de bevolking, wier bevattingsvermogen zich in eerste instantie richt op alledaagse dingen om 'in het bestaan te volharden'.
De wetenschappelijke wereld kende de geschiedenis van Giordano Bruno (1548-1600) en Galilei Galileo (1564-1642). Zelf kende Spinoza de geschiedenis van verbanning-om-ideeën uit de Joodse gemeenschap van Uriël da Costa (1585-1640) al eerder dan zijn eigen verbanning. Uitgever Riewertsz moet op de hoogte zijn geweest van het besluit van Descartes om pas na zijn dood het meeste van zijn werk te laten uitgeven. Mogelijk waren er destijds al geruchten over de doodsoorzaak van Descartes of herinnerde men zich de vermoedens over de dood van paus Adrianus. In ieder geval respecteert de groep rond Spinoza, die betrokken is bij de uitgave van zijn werk, de wens dat het meeste van zijn werk niet op zijn eigen naam wordt uitgegeven en pas na zijn dood. Hierbij was Rieuwertsz wel zo voorzichtig om een zijn naam als uitgever niet te noemen en gaf hij als plaats van uitgave bij voorbeeld 'Hamburg' op in plaats van 'Amsterdam'. Het TPT is in 1674 door het Hof van Holland verboden. Riewertsz had al bij de eerste uitgave grotere voorzorgsmaatregelen dan gewoonlijk genomen: géén auteur op het titelblad en als uitgever H. Künrath, Hamburg. Künrath was bestaande persoon, een alchemist en Rozekruiser, die niet in Hamburg woonde. In later edities gebruikt hij andere namen. In een latere editie, waarin hij het TPT uitgeeft in één band met Meijer's 'Philosophy, interpreter of Holy Scripture' gebruikt hij de namen van Heinsius en Sylvius.

Een voordeel was dat Spinoza niet als Meijer de ambitie had om het gewone volk in zijn wetenschappelijke ideeën te laten delen. Zijn werk was in de eerste plaats bedoeld voor het meer geschoolde deel van de bevolking. Voor wetenschappers en ook wel voor theologen. Vooral de laatsten vormden een doorgeefluik van nieuwe ideeën naar de bevolking. Daarom schreef hij in het Latijn, waardoor zijn werk het gewone volk niet direct zou kunnen bereiken. Hierdoor zou het minder aanstoot geven onder de gewone bevolking, die de wetenschappelijke denkwijze niet had geleerd.
Wanneer Spinoza correspondeerde, herinnerde hij de lezer er aan voorzichtig te zijn door op de brief zijn stempel 'CAUTE' (links), 'pas op' te zetten.
Wanneer Rome vlak na Spinoza's dood de geruchten bereiken dat er werk van de 'atheist' Spinoza gepubliceerd gaat worden, geeft kardinaal Barberini opdracht aan de aartsbisschop van Utrecht, Johannes van NEERCASSEL (1625-1685) (rechtsboven), om hiernaar naspeuring te doen. Deze doet navraag bij Rieuwertsz. Onlangs is bekend geworden dat een nog onuitgegeven exemplaar van de Ethica via een andere lijn, namelijk via Tschirnaus-Stensen, in het Vaticaan terecht is gekomen, waarna een verbod door het Vaticaan is gevolgd.
17, 18. 'tMARTELAERSBOEK; JAN RIEUWERTSZ (VAN HASSELTSSTEEG noordzijde vlak bij Nieuwe dijk, vroeger nr 14); 18. Tymon HOUTHAAK (hoek NIEUWE ZIJDS KOLK)
N.B. De Nieuwe Zijds Kolk is een goede plek een wandeling te beginnen (hier zat vroeger Claes Jansz Visscher, een bekende graveur van kaarten en ook prenten van Wederdoopers; verder Tymon Houthaak, drukker van Riewertsz en zijn vader; deze leverden bier aan de Schouwburg; bij doorsteek naar de Dirk van Hasseltssteeg zat daar op nr 14 Rieuwertsz met 'tMartelaersboek; verschillende gevelstenen, o.a. gevelsteen over Mozes en de Ark naar prent van Claesz Jansz Visscher verwijst mogelijk naar kleine Doopsgezinde Friese stroming van die naam; verder gevelsteen Heidelberg (bier))

Spinoza's werk is uitgegeven door Jan Rieuwertsz (de Oude, later de Jonge). Rieuwertsz' uitgeverij en in 1649 geopende boekwinkel 'tMartelaersboek zaten in de Dirk Van Hasseltssteeg.
Hierbinnen kon men vrijelijk speken over godsdienstige en wetenschappelijke zaken. De titel van de uitgeverij slaat op boeken, die de herinnering levend wilden houden aan mensen die tegen de gevestigde orde in getuige gaven van nieuw inzicht, zelfs als ze dit met de dood moesten bekopen. Bekende Nederlandstalige martelaarsboeken zijn: 'De gheschiedenisse ende den doodt der vromer martelaren' van Adriaen Cornelisz. van Haemstede (1559); het doopsgezinde 'Offer des Heeren' (1562) en het 'Haarlems martelaarsboek' (1615). Voordat Rieuwertsz hier kwam wonen had graveur en drukker Claes Jansz Visscher (15587-1652) er zijn bedrijf gehad. Deze had vele gravures gemaakt van terechtstellingen van Wederdopers. Ook de bekende gravure van de onthoofding van Johan van Oldenbarneveldt is van hem.
Spinoza zou met Rieuwertsz in aanraking zijn gekomen omdat hij proefdrukken corrigeerde om bij te verdienen. Toen Spinoza niet meer in Amsterdam woonde, heeft hij hier gelogeerd (Nadler) en gebruikte hij het adres zo nu en dan als postadres.
In 1675 werd Rieuwertsz mede met hulp van burgemeester (en wetenschapper) Johannes Hudde (1628-1704) benoemd tot stadsdrukker. Het lijkt erop dat Rieuwertsz Spinoza's 'Caute' goed heeft begrepen. Dit geldt voor alle mannen, die direct betrokken waren bij de uitgave van Spinoza's boeken. Opvallend is dat van géén van deze Gideonsbende portretten bekend zijn. Misschien uit voorzichtigheid. De mannen stelden zich in dienst van hun missie om dit type werk te doen uitgeven. Er moet er een groot onderling vertrouwen zijn geweest: verschillende van hen zaten ook in de kleine kring van Amsterdamse vrienden, die gedeeltes uit de bijna voltooide Ethica bespraken. Dit waren: Simon Joosten de Vries, dr Lodewijk Meyer (1629-1681), Johannes Bouwmeester (1630-1680). En Jarig Jelles (1620-1687), Pieter Balling. Vermoedelijk ook de gebroeders Adriaan en Johannes Koerbagh, theoloog (1634-1672). Sommigen van hen schreven zelf ook werk, sterk verwant aan dat van Spinoza, wat ook uit de titels valt af te leiden. Balling schreef een spiritualistisch werk 'Het Ligt op de kandelaar' (1662). 'Ligt' is bij hem de Rede, waarmee een mens God kan leren kennen, in die kennis zit ons heil en die kunnen we kennen door de blik naar binnen te richten. Daar vinden we het ware richtsnoer. Daarom kan niemand een ander de wet voorschrijven. Ook schreef hij een werk over de ontoereikendheid van woorden; Meyer had een proefschrift geschreven over 'beweging en rust': 'Matter and its states, motion and rest'.
Jarig Jelles (1620-1683) (waarschijnlijk de geldschieter, goede vriend van Spinoza, geestverwant, mennoniet, collegiant, lid van Ethica-studiegroep, zie onder 'Ethica'). Hij schreef in 1673 'Belydenisse des Algemeenen En Christelyken Geloof' (uitgegeven door Rieuwertsz), waarin hij betoogde dat het christendom en de leer van Descartes elkaar goed kunnen verdragen. Hij gebruikte bijbelse termen om zijn wijsgerige gedachten uit te drukken. Hij ontkent dat de menselijke natuur in zichzelf verdorven is. Bij hem aandacht voor de natuurlijke sociabiliteit van de mens, waarover ook Spinoza in zijn Ethica schrijft. Hij schreef het voorwoord voor de Opera Posthuma en verzorgde samen met Lodewijk Meyer de redactie.
Jan Rieuwertsz (1617-1685) (de uitgever, mennoniet, die bij zijn dood doneerde aan de doopsgezinde stroming 'Waterlanders en Vlamingen', gaf al eerder werk uit van Lodewijk Meijer en vertalingen van DESCARTES, zie links ONDERAAN DE VOORPAGINA; verder werk van collegiantenleider Galenus Abrahamsz de Haan en Dirck Camphuysen, de Remonstrantse dichter van wie een gedichtje staat op het huis in Rijnsburg; in 1658 een vertaling van de Koran in het Arabisch verzorgd door 'Tymon Houthaak voor Jan Riewertsz'). Hij was ook de uitgever van de collegiant Dirk Camphuysen, van het gedichtje op het huisje in Rijnsburg.
Jan Hendriksz Glazemaker (1619/1620-1682) (de vertaler van Latijn naar Nederlands. De vader van vrouw Catelyntie, met wie hij in 1651 trouwde, was rekenmeester Sybrandt Hansz. Cardinael (1578-1647). Hij was één van de twee 'wetenschappelijke' mennonieten vanwege wie de 'Eerste Nederduytsche Academie' moest sluiten. Via hem leerde Glazemaker Descartes kennen, die hij vertaalde. In de Voorrede bij zijn vertaling uit 1659 van Descartes' 'Proeve der Wysbegeerte: of Redenering van de middel om de Reden wel te beleiden, en de Waarheit in de Wetenschappen te zoeken; de verregezichtskunde, verheveling en meetkunst' bedankt Glazemaker een niet nader genoemde 'Vriend', die veel van meetkunde weet en die hem bij het vertalen heeft geholpen. Dit zal waarschijnlijk Spinoza zijn geweest, wat dan laat zien dat ze elkaar hielpen). Dit zal Spinoza zijn geweest. Dit betekent dat Spinoza al gedurende de 50-er jaren zich al intensief in de teksten van Descartes’ heeft verdiept. Ook dat de groep ervaring had met de oplossing bij omstreden werk om dit pas pas na de auteurs dood uit te geven geven.
Lodewijk Meijer (1629-1681) (voor het algemene redactiewerk, o.a. lexicograaf, harde werker, zat in Spinoza's Amsterdamse Ethica-groep (zie onder 'Ethica'); zie ook onder 'Schouwburg en NIL'; zeer goed bevriend met Johannes Bouwmeester (1630-1680), die ook wel redactiewerk op zich nam). In 1668 publiceert Riewertsz anoniem zijn 'Philosophia Scriptura Interpres'. In het voorwoord prijst Meijer Descartes de hemel in: 'de auteur van deze gelukkigste en voortreffelijkste methode was de edele en weergaloze Renatus Descartes'. In 1674 geeft Riewertsz het nogmaals uit, samen met Spinoza's TPT (beide anoniem). Op deze wijze richt Rieuwertsz zich ook nadrukkelijk tot de cartesianen. Lodewijk Meyer, wiens werk en ambitie vooral zal bestaan uit het vertalen van Latijnse woorden en wetenschappelijke begrippen in het Nederlands, wat het mogelijk maakt om wetenschappelijke denkwijzen, die destijds in het Latijn werden ontwikkeld, zodanig in het Nederlands te vertalen, dat de gewone Nederlander er kennis van zou kunnen nemen in de eigen taal en niet de omweg ‘Latijn’ nodig zou hebben (met alle consequenties van een tweedeling tussen mensen die wèl en die niet in het Latijn zijn geschoold). Meijer is ook theater-man, één van de directeuren van de Schouwburg, die uiteindelijk een sterk op wiskundig (geometrisch) en classicitisch denken geënt handboek voor het theater zal schrijven het Naauwkeurig onderwijs in de toneel
Petrus van Gent (kopiïst, doctor in de medicijnen).
18. Tymon Houthaeck (1625-1664) wordt vaak genoemd als de drukker. Hij drukte ook wel onder de naam Johan Brakel. Behalve drukker was hij zanger en toneelspeler. Het adres is hoek Nieuwe Zijds Kolk (ook wordt genoemd 'de Vogel Struis'). Diens vader (1597-1658) had ook al een drukkerij gehad, gaf toneelstukken uit, leverde pennen en inkt aan de schouwburg en was verder leverancier van bier.
Met als bescherming deze betrokken uitgeversgroep, die zich goed bewust was van de tegenstand die auteurs met nieuwe grensverleggende ideeën ondervinden, heeft Spinoza zijn werk naar het zich laat aanzien naar eigen inzichten kunnen voltooien en heeft daarbij geen water in de wijn hoeven doen, zoals mogelijk Locke (volgens Klever). Jarig Jelles (voorwoord) en Lodewijk Meijer (redactie) verzorgden de uitgave van de 'Opera Posthuma'. Mogelijk heeft Spinoza Meijer hierover op zijn sterfbed nog gesproken.
Dat wil niet zeggen dat de groep altijd onderling en met Spinoza op één lijn zat. Bij voorbeeld hebben de tegenstellingen die binnen het schouwburgbestuur waren ontstaan (en ook Rembrandt lijkt hierin stelling te hebben genomen met zijn 'Zelfportret als Zeuxis' uit 1668) waarschijnlijk ook binnen deze groep gespeeld. Mogelijk is dat Bouwmeester moeite had met de sterk rationalistische en op verheffingseducatie gerichte lijn van Lodewijk Meijer. Er was een contradictie ontstaan tussen het ideaal van het goed leren van de eigen taal om individueel zelfstandig te kunnen denken én het on-Hollandse waardenpatroon dat met de gerichtheid op de Académie Française werd binnengehaald.
Daarnaast de vraag of mensen ook zonder '..eenige ommegang met Menschen, ofte onderwijzinge, kan komen tot de kennisse van zich zelven, en van God' vanuit ervaring. Dat dit mogelijk is, kan ondere ander worden afgeleid uit IBN TUFAYL's 'Het leeven van Hayy ibn Yagzan', waarvan Bouwmeester het op zich neemt het te vertalen. Het verschijnt bij Riewertsz in 1672 (vertaling op basis van Pococks Latijnse vertaling uit het Arabisch uit 1671). Over het geschilpunt met Meijer schrijft hij met Spinoza (Klever, 2005 'Hoe men wijs wordt'; zie verder de brieven 28, uit 1665 en 37 uit 1666 aan Bouwmeester; ook in de uitgave van 'Brieven' wordt op pg 44 gewezen op een tegenstelling tussen Meijer en Spinoza: Meijer was tegen een scheiding van kerk en staat; verder ziet Nadler overeenkomst tussen het rationalisme van Maimonides en Meijer en daarmee is Spinoza's kritiek op Maimonides in de TPT waarschijnlijk ook gericht op Meijer; zie verder ook brnsoc. /actueel/damasio hierover vanuit de huidige wetenschap). In Spinoza's werk blijft het individuele eigen denken de basis, al of niet in religieuze of 'natuur'termen zoals bij Jarig Jelles en Pieter Balling, of redenerend vanuit wetenschappelijke logica .
Jarig Jelles heeft in 1673 betoogd dat Christendom en de leer van Descartes elkaar goed kunnen verdragen; iets wat wordt herhaald in Jarigs Voorwoord bij de Opera Postuma. Dit zal Spinoza's fiat hebben gehad. Lodewijk's Meijers oriëntatie op de Académie Française en educatie-idealen hebben in de 18e eeuw in de Nederlanden navolging gevonden, maar kunnen toch niet vereenzelvigd worden met de 'Hollandse Radicale Verlichting' van Spinoza-zèlf. Waar Lodewijk Meijer hooguit spreekt van het 'nut van de bijbel' staat Spinoza in Ethica V een geïnternaliseerd 'nut' voor ogen, dat zich intuïtief kan openbaren, gepaardgaand met emoties van vreugde en gemoedsrust. Lodewijk Meijers verdiensten voor de groep, met name voor de uitgever Riewertsz, lagen waarschijnlijk vooral in zijn voorhoede-werk als lexicograaf en zijn grote loyaliteit en wetenschappelijke verwantschap met Spinoza.
OPERA POSTHUMA MET POLITIEK TRACTAAT/
NAGELATE GESCHRIFTE
Na zijn dood in 1677 worden de Ethica (in link met beschrijving van de studiegroep), Emendatione, brieven en het 'Politiek Tractaat' uitgegeven door Rieuwertsz (zonder vermelding van de uitgeversnaam en als plaats van uitgifte 'Hamburg'). De uitgave wordt verzorgd door Jarig Jelles en Lodewijk Meijer.
In het onvoltooide Politiek Tractaat dat Spinoza na 1672 schrijft, lijkt hij de conclusie te hebben getrokken dat de democratie, waarvoor hij in het Theologisch Politiek Tractaat had gepleit, nog op zich liet wachten. Hoe dan ook, de ene monarchie is de andere niet. In een monarchie, zo stelt hij, zou men er voor moeten waken dat de macht van de vorst niet tot tirannie kan vervallen en zorgen dat deze voldoende wordt ingeperkt. En bij voorbeeld: liever een volksleger, dan een huurlingenleger. Want daarmee komt de macht dichterbij de mensen-zèlf te liggen.......
De Opera Posthuma zijn een half jaar na verschijning verboden door de Staten van Holland en Westfriesland.
Na Spinoza's dood verschijnen bij Riewertsz in 1684 een werk van Abraham Cuffeler (1637-1694) (Riewertsz verschuilt zich bij de uitgave achter: 'Künrath, Hamburg') en in 1687 van de uit Görlitz afkomstige Tsjirnaus (1657-1708) 'Geneeskunde van de ziel of een proeve van authentieke logica '. Beide auteurs schrijven in de lijn van Spinoza en kenden diens werk (Klever).
EINDE WANDELING
Om naar de 16e en 17e eeuw terug te gaan vraagt veel van het verbeeldingsvemogen. Gelukkig staat een groot aantal gebouwen er nog steeds en ze hebben zelfs vaak nog min of meer dezelfde functie. De architectuur en de ornamenten aan de gebouwen maken de ontwikkeling in het denken in deze visuele tijd zichtbaar: de overgang van het denken in godsdienstige termen naar de Hollandse renaissance en het Hollandse classicisme. Daarmee wordt het werk van Spinoza aanschouwelijk gemaakt. Ze kunnen de drie kensoorten, verbeelding, intuïtie en ratio, die Spinoza noemt verduidelijken. Het ingeboren streven naar harmonie. Het is nu minder lommerijk dan toen, maar staat tegenover dat de stank ons bespaard is gebleven. En er was nog veel armoede. De afstanden waren klein, de debatten levendig.
Hier leefden Spinoza en vrienden in een tijd na de Opstand, waarin een nieuwe mentaliteit van realisme en vrijheidszin was ontstaan. De tijd waarin wrede straffen voor dissidenten gewoon waren was voorbij. Vroede vaderen pleitten regelmatig op grond van de Rede voor zo veel mogelijk 'vrede'. De plaatsen waar ze bijeenkwamen, de woningen van politici, de gevelstenen die ze aanbrachten, er is nog nog veel van terug te vinden.
In Amsterdam en de Republiek was al een grote mate van individualisering van denken ontstaan onder brede lagen van de bevolking. Grote namen in deze ontwikkeling zijn de 'apostel van de vervolmaakbarheid' Coornhert (zie ook brnsoc. 'Coornhert') samen met vriend Spieghel, Comenius en Hugo de Groot. Hun gedachten zijn terug te vinden bij Spinoza, die deze combineert met Joodse filosofie en de filosofie van Descartes. Hoewel niet onomstreden werd zijn filosofie vlak na zijn dood goed begrepen en doorgegeven door internationale empiristische Verlichtingsdenkers als John Locke. In het werk van bij voorbeeld Cuffeler (1643-1709), Tsjirnaus (165-1708) en De Volder (1643-1709) zijn de ideeën van Spinoza duidelijk aan te wijzen. Waar Spinoza's werk door de geometrische methode niet makkelijk is voor de niet-wiskundig opgeleide lezer, kunnen de samenvattingen van hùn werk inzichtelijk zijn (zie Wim Klevers 'Mannen rond Spinoza'). De Korte Verhandeling is nog geschreven zonder de wiskundige betoogtrant. Het geeft de kern van Spinoza's denken goed weer, evenals de laatste hoofdstukken van de Ethica.
Spinoza ziet er weinig heil in om te proberen ideeën van anderen op een directe wijze te veranderen. Hij zoekt veeleer naar beïnvloeding van dieper-liggende werkoorzaken voor bepaalde meningen. Structurele veranderingen stelt hij voor in het Theologisch Politiek Tractaat. Ook goede pedagogie kan bijdragen aan een ontwikkeling van grotere vrijheid in materieel en geestelijk opzicht.
Spinoza's bijzondere ideeën over de godsdienst (de term 'atheisme' is hier niet op zijn plaats), vrijheid (ook het etiket 'seksuele vrijheid' past niet bij hem), democratie en rationaliteit (maar dan wel gekoppeld aan emoties) passen goed in onze tijd, waarin zoveel geloven met elkaar in aanraking komen. Ook de moderne versnipperde wetenschap kan van Spinoza nog steeds leren hoe tot een samenhang te komen. De (ondergrondse) waardering voor Spinoza's werk is er door de eeuwen heen geweest, soms méér, soms minder. Zie ook brnsoc. 'Damasio 'zelf.. ' en 'sociologie'.
Ook in de zestiger jaren van de vorige eeuw was er in Amsterdam belangstelling voor Spinoza, zoals blijkt uit het beeld van Hildo Krop uit 1959. Actueel is het bewegende werk van Thomas Hirschhorn.
SPINOZABEELD VAN HILDO KROP BIJ HET SPINOZALYCEUM AMSTERDAM
'Waaruit volgt, dat mensen, die door de Rede worden beheerst, d.w.z. mensen die onder leiding van de Rede hun belang nastreven, niet voor zichzelf begeren wat zij niet ook voor de overige mensen verlangen, en dus rechtvaardig, trouw en eerlijk zijn'
Spinoza Ethica IV, 18 opm
'In het leven is het dus in de eerste plaats van belang het verstand of de Rede zoveel mogelijk te vervolmaken en in dit éne bestaat 's mensens hoogste geluk of zaligheid'
Spinoza Ethica IV, aanhangsel IV.


