plaatje van papaver
plaatje van amfetaminepillen plaatje van coca-plant plaatje van slaaptabletten plaatje van tabaksplant
plaatje van de hersenen
home

meer nederlands

english

español

deutsch

francais



Samenvatting

Op de hoofdpagina
Opiaten en liefde
Cocaïne en vechten
Amfetaminen en vluchten
Nicotine en voedsel
Benzodiazepines en slaap
Waar in de hersenen
Emoties
Besliscentrum
Leren
Beloning
Pijn
Gedrag
Oefening en training
Endocrinologie
Inwendige klokken
Genen
Stress
Korte termijn effecten
Lange termijn effecten
Effecten tussen systemen
Leeftijd en geslacht

Belangrijkste bronnen

Velen hebben bijgedragen aan de analyse op deze website, wat niet betekent dat zij de analyse ook onderschrijven.
Uit de oudere literatuur over het onderwerp zijn J. Olds en de gedragspsychologen A. Wikler en C.R. Schuster het meest prominent. Sandra van Ginneken (thans werkend bij het ministerie van VWS) heeft literatuur bijeengebracht over de relatie seksualiteit en opiaten.
Jak van der Meulen, die destijds wetenschappelijk hoofddocent strafrecht aan de UvA was
Belangrijk is Jan van Ree, hoogleraar psychofarmacologie met specialisaties verslaving en voor opiaten-gevoelige hersenstructuren (opioide systemen) verbonden aan het Rudolf Magnusinstituut (thans als directeur).
Belangrijke bron zijn de verslaafden en gebruikers zelf, die bereid waren hun ervaring te delen met onderzoekers. Nog altijd een goede informatiebron is het op hun ervaringen gebaseerde ‘Uit je bol’ van Gerben Hellinga en Hans Plomp. Samen met Rob Brandsma deed ik voor de Amsterdamse junkiebond MDHG een studie naar de wijze waarop verslaafden zelf van hun verslaving af kwamen.
De belangrijkste centra in Nederland voor het neurobiologische onderzoek naar drugs zijn het Rudolf Magnusinstituut (Utrecht) en de VU (Amsterdam)en was de Radboud Universiteit (Nijmegen).
Van het Rudolf Magnusinstituut zijn behalve het totale werk van Jan van Ree de interessante bijdragen aan de ENP-sessies van Mirjam Gerrits, professor Berry Spruyt, Louk Vanderschuren en Gerrit Wolterink van belang geweest, van de Radboud Universiteit Elisabeth van der Kam, voortbouwend op interessante observaties van Bart Ellenbroek en professor Lex Cools.
Aan de eerste sessie heeft professor Ton Schoffelmeer van de VU meegewerkt. Deze heeft door zijn accent op de zogeheten incentive sensitizatie (het leren) de nadruk verbreed van de invloed van jeugdervaringen op het ontstaan van verslaving naar de invloed van ervaringen later in het leven en daarmee nieuwe wegen geopend. Ook heeft hij samen met Taco de Vries bijgedragen aan het doorbreken van het internationale taboe op de verwerking van drugs in geneesmiddelen.
Overige sprekers waren Gé Ruigt van de slaap-waakvereniging Nederland, Jane Stewart en professor Norman M. White (beide van de McGill University, Montreal, Canada).
Professor Gert Holstege uit Groningen heeft het meest duidelijk de gedachte naar voren gebracht dat wij allemaal verslaafd zijn aan seksualiteit. De gedachte dat onze emoties in het lichaam worden 'vertaald' door neurotransmitter-stoffen is in Nederland o.a. verspreid door het boek ‘Liefde’ van Bas Kast.

terug

Verantwoording

Mijn studie Een verklaringsmodel voor verslaving aan opiaten biedt voldoende materiaal uit te gaan van een verband tussen opiaten en voortplanting. Veel elementen in deze verslaving zijn te specifiek om ook voor de andere verslavingen te gelden. Daarom moeten andere verslavingen een andere neurobiologische grondslag hebben. Alle gegevens over de andere stoffen, die ik later verzamelde, pasten in het in mijn analyse geschetste beeld. Ik ben nog van plan onderzoeksresultaten en gegevens over al deze verslavende stoffen gezamenlijk te documenteren. Lorna Role heeft de speciale relatie van nicotine en voedsel onderzocht.

Aan deze analyse ligt een fenomenologische aanpak ten grondslag.
Dit houdt in dat systematisch is geprobeerd zoveel mogelijk gegevens uit verschillende hoek te verzamelem en te passen in een model. Hierbij hield ik me aan de regel dat als er aan het model tegenstrijdige gegevens werden gevonden, dat dan het model (nog) niet in orde was. De gegevens zelf stammen uit verschillende disciplines en zijn door hypothesetoetsend onderzoek aangetoond. Meestal heb ik hetzelfde soort gegevens in onderzoeken van verschillende onderzoekers nog eens bevestigd gezien. Veel van deze onderzoeken zijn perfect uitgevoerd. Het is bij de gevoelige materie ‘drugs’ wel altijd zaak de veralgemeniseringen, begrippen en toelichtingen bij de gevonden verbanden kritisch te beschouwen. De meeste mensen zijn geneigd als het over drugs gaat te letten op de individuele redenen om verslaafd te raken aan verschillende middelen (de medische benadering), maar je kunt je ook afvragen welke de mechanismes zijn die ten grondslag liggen aan verslaving (het perspectief van hersenonderzoekers). Behalve gedegen onderzoek heb ik ook handleidingen verslaving betrokken in de analyse en common knowledge zoals het feit dat we slapen en eten. Deze data die zo vanzelfsprekend zijn dat ze gauw over het hoofd worden gezien. Maar het zijn net zo goed data. Ik denk niet dat het bewijs voor wat verslaving is via één hypothesetoetsend onderzoek kan worden geleverd. Wel kan je een verslavingsmodel toetsen: het beste model is dat met zoveel mogelijk gegevens waarbij geen tegenstrijdige gegevens bekend zijn, consistent en coherent.

terug

Over de auteur

Margreet Brandes (drs M. Brandes; geb 1945)
Socioloog (RU Utrecht)
Specialisaties geestelijke volksgezondheid en methoden en technieken van onderzoek (waaronder de fenomenologische methode);

In 1976 ontstond mijn belangstelling voor de werking van drugs en de hersenen, door de opdracht van het ministerie van Volksgezondheid en de gemeente Amsterdam voor een literatuurstudie naar de voor- en nadelen van het verstrekken van heroïne aan heroïneverslaafden. De basis voor de drugs-drives-analyse is toen gelegd. Ik was vooral geïntrigeerd, doordat bekend was geworden dat hersenen hun eigen drugs maken. De vraag was, met welk doel de hersenen deze stoffen maakten en hoe je deze processen zelf kunt beïnvloeden. Met deze vragen ben ik steeds bezig gebleven, naast werk en privé-activiteiten.
De voornaamste activiteiten en publicaties op dit gebied zijn:
- Verstrekking van heroïne en methadon; een literatuuronderzoek, SWOAD, in opdracht van gemeente Amsterdam en het ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiene, 1977.
- Adviseur ‘Nationale heroïne symposium’; 24 november 1977, Amsterdam
- Economische en epidemiologische modellen om ontwikkelingen in het heroïnegebruik te analyseren; M. Brandes en J.D. van der Meulen; TADP 1978, 4/4.
- Op eigen houtje afkicken; R. Brandsma en M. Brandes; Amsterdamse belangenvereniging druggebruikers MDHG, 1987.
- Kennismakingsweek met het werk van de verslaafdenopvang bij de Regenboog, Amsterdam, 2000
- Een verklaringsmodel voor verslaving aan opiaten; oneigenlijk gebruik van een zinvol vermogen tot verslaving?; een theorie over verslaving aan opiaten gebaseerd op onderzoek van wetenschappelijke literatuur; M. Brandes, Amsterdam, 1978/2000
- Moderator EN-meeting-sessie Doorwerth, 2000 Sensitization and natural reward mechanisms in addiction(s) (met het Rudolf Magnus Instituut, Utrecht en de VU, Amsterdam).
- Moderator ENP-meeting-sessie Doorwerth, 2006 Specific coupling of addictive drugs and drivesystems (met prof. dr. J.M. Van Ree, Rudolf Magnus Instituut, Utrecht).

terug


terug


Over de auteur
Inspiratiebronnen
Verantwoording
Methode




Opmerkingen of aanvullingen?
Contact